Open Collections

BC Historical Books

BC Historical Books

BC Historical Books

Missien van den Orégon en reizen naer de Rotsbergen en de bronnen der Colombia, der Athabasca en Sascatshawin,… Smet, Pierre-Jean de, 1801-1873 1849

Item Metadata

Download

Media
bcbooks-1.0308172.pdf
Metadata
JSON: bcbooks-1.0308172.json
JSON-LD: bcbooks-1.0308172-ld.json
RDF/XML (Pretty): bcbooks-1.0308172-rdf.xml
RDF/JSON: bcbooks-1.0308172-rdf.json
Turtle: bcbooks-1.0308172-turtle.txt
N-Triples: bcbooks-1.0308172-rdf-ntriples.txt
Original Record: bcbooks-1.0308172-source.json
Full Text
bcbooks-1.0308172-fulltext.txt
Citation
bcbooks-1.0308172.ris

Full Text

Array  
Ernest Theodore  Rogers
Fund    vrcTOR,
Overste van den Stam Têtc-Plate.
N* XXIII.
P. «2
AW'^cn Reizen
^er Athabasca en $.
É>*
in 1845-46.
EN DE BRONNEN ^^fljfrffe*
0)   Q     7**
^^ «trya teÉen*de Corbea^
tr%*
ue Sociëteit  van   *>c
«-w* ft et   Pt^w^C^
m
Boeken Steendrukker^ van WTe Vander Schelden,
Ontier-straet,.V.°.1j.
1849.  ^^^^^^^^^'V^^^^^^^^^^^^X^^^^^^^^^^^^}
PLACET IMPRIMATUR.
Datum Gandce, 11 Octobris 1848.
+ L. J. Epus. Gand,
A
fe«-«
1 mtmmmfZjm
9
mmmmt
Om den eigendom van dit werk te behouden is er aen
de wet voldaen. f
AEN ZYNE HOOGWEERDIGHEID
GR LUDOYICÜS-JOSEPHÜS DELEBËCQUE
BISSCHOP VAN GENT
HUISPRELAET VAN ZYNE HEILIGHEID
EN
ASSISTENT
BY
DEN PAUSELYKEN TROON.
si
K/W&nde€a<neu?-,
Het is aen het werk der Voortplanting van het
Geloof, dat wy een deel verschuldigd zyn der
hulpmiddelen I die ons in staet gesteld hebben \ om
onder de Wilden der Nieuwe Wereld de fakkel van
het Evangelie te dragen, en rondom het kruis
eenige dier omzwervende en verspreide stammen
te vereenigen. Het is by gevolg uw naem, Monseigneur, welken ik aen het hoofd heb durvenplaet-
i VIII
sen van dit boek, dat bestemd is om eenige wonderen
der genade in die streken te verbreiden. Geweerdig
u , Monseigneur, dit zwakke bewys van erkentenis
goedgunstig te ontvangen voor den onvermoeijelyken
ie ver, welken dat schoone werk van de Voortplanting des Geloofs uweHoogw. steeds inboezemde:
voor den iever en de edelmoedigheid, welke gy den
geloovigen, aen uwe Hoogw. herderlyke zorgtoebe-
trouwd, wist in te drukken.
Moge deze hulde uwe Hoogw. aengenaem zyn en
u den diepen eerbied betuigen van hem, die altoos
den hemel zal bedanken, van aen zyn vaderland
eenen Kerkvoogd , zoo onderscheiden door zyne
uitstekende hoedanigheden, als door zynen iever
voor de verheerlyking van God en de zaligheid der
zielen, te hebben geschonken !
Ik heh de eer met den diepsten eerbied te zyn ,
Monseigneur,
Uwer Hoogw. ootmoedigste dienaer,
. - c/.  £l£)e *ïs#ne/, *-S. cf.
Gent, den 20 february 1848.
«a
• VOORREDE VAM Dffl UITGEVER.
De brieven, bevat in dit werk, zyn sedert zes maen-
den in Amerika in het licht gegeven ; zy zyn er op de
gunstigste wyze ontvangen. De dagbladen hebben zich
beyverd de waerheid, de nauwkeurigheid en het belang
te erkennen en bekend te maken, welke de ieverige
missionnaris heeft weten te ontvouwen in die verhalen,
welke bestemd zyn om ons onder de oogen te stellen de
landstreken, welke hy doorloopen, en de zeden dier
wilde stammen in welker midden hy geleefd heeft.
Men zou zich echter niet moeten verwachten aen die
opgepronkte beschryvingen, aen die grootsche tafereelen,
welke men onafscheidbaer gelooft van een werk, bestemd
om eenig deel der nieuwe wereld te doen kennen. Te
dikwyls hebben die heerlyke schilderingen geene wezen-
lykheid dan iii de verbeelding van den reizenden schry-
ver. — Alleenlyk door het denkbeeld ingenomen van een
nieuw werk te maken, bekommert hy zich zeer weinig
1*
1
te ]
1
'ïdfr'
r^BB*MMMi«**Bi3HB3ff?ff£l£ nopens de nauwkeurigheid, die zeer dikwyls voor hem
ook onmftgelyk zyn zou, om de snelheid, waermede hy
de landstreken, welke hy beschryft, doorloopen heeft;
maer door zynen toevlugt te nemen tot al zyne natuerlyke
begaefdheden, stelt hy voor, met behulp van eenige voorvallen en geschiedkundige trekken, welke hy heeft kunnen vergaderen, een met vele loszinnige omstandigheden
opgesmukt maer gewis weinig getrouw verhael. — Zoodanig is de Missionnaris niet.
Die bergen, die bosschen, die valleijen, welke hy beschryft, heeft hy op alle wyze doorkruisd; — aen die
zeden, welke hy schildert, heeft hy de zyne op zekere
wyze gelykvormig gemaekt door zyn yerblyf onder de
wilden; — de jagten, welke hy onder onze* oogen stelt,
heeft hy gezien, dikwyls heeft hy er de vermaken en de
gevaren van gedeeld;— die gastmalen, welker eenvoudig
verhael óns welligt het hert zal doen walgen , hy heeft er
zich naer moeten schikken en eenen grooten afkeer moeten overwinnen, om de teergevoeligheid van den wilden
niet te kwetsen ; eindelyk van die ongehoorde veranderingen, die nieuwe zeden, die wonderen der genade is
hy het werktuig geweest ! —
Ook is het hier geen ophef, geen geestdrift; het is de
waerheid, die zich uitdrukt met die eenvoudigheid,
welke dezelve kenmerkt en hare natuerlyke gedaente is.
Wy weten niet of het eene dwaling is; maer het komt
ons voor, dat er in dat alles, voor de christenen byzonder-
lyk, eene grootere belangstelling gelegen is, dan in die
verhalen, welker grondbeginsel de verbeelding is.
De plaetjes, die dit werk versieren, zyn overgenomen
geweest naer de oorspronkelyke teekeningen van Pater
Point, ook missionnaris te midden der wilden. Alte zyn
naer de natuer opgeschetst; de zuiverheid, de netheid der
byzonderheden wyken in niets voor de waerheid van het
geheel. XI
Het is dan met betrouwen, dat wy in een zoo catholyk
land die nieuwe brieven der Rotsbergen in het licht
geven. De goede ontvangst welke dezelve in Amerika
te midden zelve eener protestantsche bevolking, de belangstelling , welke zy verwekt hebben, dit alles dient
ons tot eenen onderpand van den goeden ontvang, welken
het Vaderland bereidt van den Missionnaris, die dezelve
geschreven heeft, van de belangstelling welke die zoo
godsdienstige verhalen er verwekken zullen.
Wy doen alhier volgen de uittreksels van eenige Ame-
rikaensche dagbladen, die voor het meestendeel protes-
tansch zyn. Zy zullen den lezer toonen de goedgunstigheid,
waermede het werk van den Pater De Smet in de Nieuwe
Wereld ontvangen is geweest.
Zie hier hoe die dagbladen zich uitdrukken :
De Evening Mirror van JYew-York:
« This is a very handsome volume, of over 400 pages,
illustrated by engravings, and dedicated to Bishop
Hughes, from the distant solitudes of the Rocky
Mountains, by a pious Catholic priest, who is devoting
his life to the conversion of the Children of the Forest
to Christianity. The book might properly enough be
called a history of the religious occupation of Oregon,
for it gives a minute account of al the missions that
have been established^ or attempted, in that vast
and wonderful region to which the red men have been
compelled to fly before the rising tide of civilization.
» We have been more deeply interested in the contents of this well-written volume, than in any similar
work that we have ever read. The author seems to
spread the great wilderness out before us like a map,
and while kindling in our minds a sense of the infinite
grandeur and beauty of Nature, inspires us at the
■'-■ MM*
3»
)>
}>
3>
»
1)
3)
3)
31
time with something of the spirit of his own holy mission. The very names of the solitary places from which
he dates his letters , not only startle us by their stran-
geness, but are linked with the most affecting associa-
tions — u Foot of the Cross of Peace " — u Village
of the Sacred Hert of Jesus " — such are the names
with which the Catholic Fathers christen the wilderness
which is made glad by their labors.
»  It is good in this world of hypocrisy and selfishness
to find here and there a Howard and an  Oberlin, to
redeem the name of Christian from contempt, and to
prove to us, by the force of great and glorious exam-
ples like theirs, that religion is ?iot all a hollow mock-
ery.  Such a book as this revives  our faith in   the
ij Gospel according to the Apostle John. " There must,
indeed, be a faith that works by love, and can overco-
me the world. It bends in humble reverence  beneath
the swelling dome of St. Peters, and lifts devout eyes
to Heaven from the rocky pinnacles of Oregon. »
De Catholic journal Pittsburg |
« The author of these Letters is know to all our
readers, and wherever he is known he is admired. But
even if the writer was an utter stranger, the interesting details of travel, the scenic descriptions, and the
lively recital of events would recommend this l book to
every one who can feel an interest beyond his own
selfish concerns. It is a Catholic work, and can be read
over and over again with pleasure and instruction. It is
also adapted for a library, being a work to which
reference can be made. »
De Freeman's journal, van New-York :
« We have been for some time awaiting the appearance mm
»
3)
3)
I
3)
3>
3)
i
3>
3>
n
|
))-
»
))
3>
))
))
1
3)
1
XIII
of this most interesting book. We read such of these
letters as were addressed to the Right Rev. Bishop, and
published in our columns, with the greatest pleasure;
but even they gain a new interest as gathered together
with other valuable matter in this beautiful volume.
They present a continuous history of missionnary zeal
and adventure, and teil us that the old spirit which
shines fort in the " Lettres édifiantes et curieuses, ' is
not dead—but still animates the earnest, intelligent,
self-denying Fathers of the Society of Jesus. There is
no need that we should recommend the work to our
readers; for it recommends itself, inside and outside—
every one will read it with delight, and none without
profit. It is made the more valuable at this time as
affording a brief but exact and faithful account of this
new country, which so lately formed a subject of contention between us and England; and a part of which
is nowdefinetely included in the territory of the United
States. It is illustrated by admirably executed engravings , illustrating the scènes described—and is got up
with the excellent taste characteristic of all the works
that come from the enterprising publisher. »
Ter gelegenheid van een leger in de landen der wilden
te zenden, schryft het zelfde dagblad den 16 Oct. 1847 :
3>
»
i
3)
3)
« In the above article there is undoubtedly much
exaggeration, in general, and in detail, but at the same
time we believe there is also much truth. To meet the
danger 2000 soldiers is certainly a very small number to
propose as a standing army — 10,000 would be more
adequate to the occasion. But we can mention a way in
which 20 men shall effect more than either the 2000 or
10,000 É armed, commanded and equipped 1 as the
Exposüorsuggests. Let the American government ask for NBBH
39
3)
3>
3)
20 devoted missionnaries — hundreds are needed for so
vast a population as above supposed—but let 20 be obtained u armed, commanded and equipped jj by the
Catholic Church, and sent among these Indians, and
then we will be responsible for the woes that shall
spring out of Indian aggression. Let any one that does
not understand us get and read the " Oregon Missions | of Father De Smet, just published by Mr.
Dunigan in this city, and he will see how correct we
are in our assertion, and how expensive an affair Anti-
Popery proves itself in national affairs. »
De Neiv-York commercial-advertiser
These letters form a very handsome volume, the
illustrations of which are numerous and spirited. The
letters are narrative and descriptive, and can not fail
to interest the reader, who will be able to form from
them a correct estimate of the country through which
the reverend author travelled and of the customs and
character of the people among whom he unweariedly
labored. The whole field is interesting alike in its religious, political and social acpects, and each of these
is directly or incidentally treated of in this interesting
volume. The author is of known veracity and of high
personal character, possessing a sound judgment and
wieldinga graphic pen. The volume will find numerous
readers. »
De New York Journal of Commerce van 5 Nov. 1847 :
« Oregon Missions. — The Jesuit Missionary of the
» Rocky Mountains, Father De Smet, has produced a
» work of extraordinary interest — comprehending in
»  its design the manners and customs of the North Ame-
>)
3)
3)
3)
3>
3)
3)
3)
)>
3>
)>
»
 1
. i
«ma
is?
L—H
er: ju.)    in   —»wr.in   J>n» jj   i  wi"w   ■   » ' n^pgjp^i^a II  lil III I <WW—— I a.i
»
))
XV
rican Indians, their traditions and superstitions, the
incidents that befel the author, the events that trans-
pired during his sojourn in those wild regions,
together with exquisite descriptions of scenery. The
1 text is illustrated with accurate lithographic sketches.»
De Morning Courier and New-York van 5 Nov. 1847 :
<c "Oregon Missions and Travels over the Rocky Moun-
j> tains in 1845-6,B is the title of a very elegant volume
» by Father P. J. De Smet, of the Society of Jesus,
which has just been published by E. Dunigan at 151
»l Fulton stf It is a record of the travels, observations and
labors of a zealous Missionary of the Jesuits among the
Indians of our Western wil ds, — and as such can not
» fail to be of very decided interest to all classes of the
community, whether they do or do not sympathize
with the peculiar form of doctrine whiche labored
to inculcate. It is dedicated to Bishop Hughes. We
commend it to the notice of our readers. |
Eindelyk een ander dagblad van New-York :
<c The name of Father De Smet is familiar to most of
our readers as that of the celebrated missionary of the
Rocky Mountains; and the volume here announced is a
history of his travels, adventnres and observations. in
that wild, romantic and interesting region. It is a
volume of over 400 pages, got up in the first style of
printing and binding, and is one of the most interesting
and beautifully written productions of the New-York
press this year. It is also illustrated by maps and numerous engravings, which add much the value of the
work. »
3>
3)
))
ï)
3)
3)
))
3)
3)
))
3>
))
'    I
I ■W '■
•-
u u.
—es VU K.Sft AÜ
#W% #W^n       #^%^Wr     ^^^^^       #W^^W     4<%*W       ^^P^^
OVER   HET
GRONDGEBIED VAPDES ORÉGOI
EN  ZYNE  MISSIEN,
getrokken uit den
Catholyken Almanak der Vercenigde Staten.
De staetkunSfge twist, die sedert vele jaren opzigtens
den Oregon tussehen het Engelsche staetsbestier en dat
der Vercenigde Staten bestaen heeft, heeft de aendacht
van het publiek op dat ver afgelegene land gevestigd en
by hetzelve eene zeer levendige belangstelling doen ont-
staen, die, naer mate de landverhuizing, de beschaving
en de koophandel er voortgang zullen doen, zich vermeerderen zal. Nogtans wordt dit land voor de oogen
van den christen en den menschenvriend nog jpelang-
ryker, wanneer men de poogingen opmerkt, die gedaen
zyn en welke men nog voortgaet te doen, om er de voordeden te verspreiden, welke de waerheden van den
godsdienst alleen aen de ongelukkige stammen der Indianen van dat grondgebied bezorgen. Aen den catholyke
vooral biedt dat ver afgelegene land waerlyk vertroostende
tafereelen aen en het is juist dat gene, wat ons aenge-
gpoord heeft om den lezer de beknopte geschiedenis van
V. m. 2
mm
■   . 'Wj' 18
MISS1EN
zyne ontdekking, zyne inrigtingen en missien aen te
bieden, die zoo wel voor het "geesteiyke als tydelyke
geluk zyner bewooners ondernomen zyn.
Het grondgebied zoo wel van den Amerikaenschen
als Engelschen Oregon is dat belangryke deel van Noord-
Amerika, hetwelk aen de overzyde der Rotsbergen tus-
schen den 42° en 54° 40 parallel gelegen is. Het begrenst
ten noorden de Russische bezittingen, ten oosten de
Rotsbergen, ten zuiden Galiforniën en ten westen den
stillen Oceaen. Het omvat eene uitgestrektheid van meer
dan 500 uren van het noorden naer het zuiden op eene
breedte van byna 200 uren van het oosten naer het westen. De bevolking van den Oregon bestaet uit 200,000
zielen. (1)
Dat het de Spanjaerds zyn, die het eerst den Oregon
ontdekt en bezocht hebben (2) is eene daedzaek, die ons
voorkomt nu de minste twyfeling niet meer te dulden.
Behalven de bewysstukken, die het betoonen, vindt men
er ook het bewys vanHn de overlevering der wilden zel-
ven.#y verhalen, dat een schip de kust ten zuiden der
rivier Columbia vóór 1790 bezocht en dat er nog eene
dochter leeft, welker vader een der matroozen van het
scheepsvolk en welker moeder eene vrouw van het land ,
van den stang deR Kilimouks was. Zeer versletene Chris-
(1) De engelsche bezittingen, die zich ten noorden van den
Oregon tot aen de ys-zee uitstrekken en 400 uren lang zyn, be-
hooren ook onder het kerkelyke regtgebied der bisschoppen van
den Oregon. Ten westen liggen d^ Russische bezittingen, die
200 vierkante uren groot zyn.
(2) Caver, een engelsche reiziger is de eerste, die van eenliP
^.vier ten westen der Rots-bergen, Or.égon genoemd , gesproken
heeft. —Die reiziger is nooit*ten westen dier bergen doorgedrongen.
Het woord Oregon wordt in geene der talen der stammen van dat
uitgestrekt grondgebied gevonden. Hy zal, of wel die naem gevormd , of de Indianen kwalyk^verstaen hebben , die ten oosten
der Bergen woonen en hem nopens het bestaen van eene groote
rivjpr ten westen onderrigt hebben. Het woord Ollegon is by die
omstandigheid aengenomen. VAN  DEN  OREGON.
19
tus-beeJöen, welke men in de handen der Tchinouks
gevonden heeft en die door scheepskapiteinen aen hunne
voorouders ge§clionken waren; puinhoopen van gebouwen , djf: nog in het eiland van Vancouver overgebleven
zyn; de naem van Juan de Fuca, welke de zeeëngte
draegt, die dat eiland, ten zuiden, van het vaste land
afscheidt; de nabyheid der spaensche missien, die byna
eene eeuw te voren in Californiën ingerigt waren, dit
alles moet meer als gënoegzaem zyn, om die bewering
ontwyfelbaer temaken. mjk
De kapitein Cook zeilde langs de kgsten van Noord-
4merika in 1790 en deed aennemen, dat dezelve van
zeeotters bevolkt waren. Men zag er in 1792 schepen
van byna &Jle volkep. Of de Amerikaensche er het eerste
en in een grooter aental <Jïan de andere, gekomen zyn,
gelyk eenigen>Jiet beweren, hiervan l%t ons weinig
gelegen. Maer dijbis zeker, dat zy er zich reeds in 1792
naertoe begeven hadden, d&wyl een schip der Vereenigde
Staten, Columbia genoemd, kapitein Gray, dat zelfde
jaer in eene onbekende rivier inliep en dezelve omtrent
zes uren ver opvoer. Die rivier heeft sedert dien tyd den
naem van dat schip behouden, en de baei, waerin hy
het anker liet vallen, dien van den kapitein. Die baei
ligt een weinig boven het Fort George, aen den tegenover liggenden boord. Het is van dat tydstip dat de ontdekking der rivier, genoemd Colombia, dagtcekent. Maer
het land heelheiden oorspronkelyken naem van Oregon
behouden, welken Carver had doen kennen.
De kapitein Gray ontmoette, by het verlaten der rivier Colombia, den kapitein Vancouver, die 4& baey Puget
kwam te bezoeken. Deze liep de Colombia ook binnen
en voer dezelve byna veertig ureü ver op, tot aen het
punt, dat zynen naem draegt. Die kapitein heeft van
die rivier en van de noordkusten van dat noordelyke
gedeelte, kaerten achtergelaten, die voor zeer naeuvv-
keurig gehouden worden. I
M1SSIEN
Dit bezoek werd gevolgd door dat van sir Aïexandêfe
Mackenzie, die, na de rivier, die zynen naem heeft, te
hebhen ontdekt, de Rivier de la Paix, die £Ï§h in het
Lac des Esclaves uitstort, opvaerde. Dewyl hy er de
bogten tot aen de overzyde der Rotsbergen van volgde,
kwam hy uit by den oorsprong der Rivier Fraser, welke
hy voor de Rivier Colombia hield; maer wanneer hy
zynen koers naer het westen voortzette, kwam hy,
varende door den stam der Atnans, in de stille zee omtrent den 52° graed noorder breedte uit. Het was in 1793.
In 1804, ontvingen de Heeren Lewis en Clarke van het
amerikaensch staetsbestier den last om den oorsprong der
Rivier Colombia te gaen opzoeken. Daer zy zich te land
derwaerts begeven hadden, volgden zy die rivier tot aen
de baei Gray, waer zy den winter overbragten.
In 1810, deedmynheer Astor, van de Vereenigd e-Sta ten,
twee expeditien naer den Oregon vertrekken, om er zich
van den handel der peltery, welken men ér dreef, meester
te maken. De eene dier expeditien vertrok ter zee op het
schip, genoemd den Tonquin en de andere te land onder
het geleid van den heer Hunt. Beide hadden by zich een
veertigtal Canadianen, van welke mynheer Franchère,
die ter zee reisde, deel maekte. Zy bereikten nogtans het
volgende jaer in 1811, het einde hunner reis. De expeditie
ter zee, diehet eerstaenlandde, bouwde een fort, genoemd
Astoria, naer den naem van mynheer Astor. Dat fort is
vyftien mylen van den mond der Colombia, op den linker
oever gelegen.
De handelmaetschappy van het Noord-Westen, die ook
sterk verlangde naer den handel der pelteryen met de
wilden van dat land, zond eenen zyner burgers derwaerts,
die, na den weg welken sir Alexander Mac Kenzie in
4 792 gehouden had gevolgd, en Nieuw Caledonien van
het noorden tot het zuiden doortrokken te hebben, de
rivier Okanagan afzakte, die omtrent 140 uren van Van- essss
VAN  DEN OREGON.
21
couver gelegen is. Hy voer daerna de Colombia af; maer
hy kwam slechts vele maenden na de eerste amerikaensche
expeditie by het fort Astoria aen.
Gedurende den amerikaenschen oorlog in 1812, vertrok
een engelsen schip om zich van Astoria en zyne rykdom-
men meester te maken. Maer de kapitein van dat schip
vond het, by zyne aenkomst, tot zyne groote te leurstel-
ling, in het bezit eens burgers der handelmaetschappy van
het Noord-Westen, die, onderrigt van het ontwerp, het
wèik men gemaefctr had, om er zich door de wapenen van
meester te maken, het een weinig te voren gekocht had,
raël al wat er zich in bevond. Dewyl de Handel-Maet-
schappy van het Noord-Westen byna uitsluitend niet gebruikte dan Canadianen en eenige Iroquoisen, spoedde de
nieuwe meester van Astoria zich om hen in zynen dienst
aen te nemen, die er zich bevonden, wanneer hy die
plaets aenkocht. Hieruit is het geüakkelyk te begrypen,
dat het getal der Canadianen in den Örégon moest toenemen , naer mate de Handel-Maetschappy het getal zyner
forten vermeerderde. Ook doorkruisden zy weldra op alle
wyzen het land en spraken van God, van den godsdienst
en van hunne priesters by de verschillende wilde stammen,
welke zy bezochten.
Wanneer in 1821, de Handel-Maetschappyen van de
Baei d'Hudson en van het Noord-Westen vereenigd werden , nam de handel in pelteryen in den Oregon op nieuw
toe. De aenkomst vooral van mynheer John Mac Laughïin
in het Jand in 1824 maekte er een tydstip van. Hy vermeerderde den voorspoed van den handel en van het land.
De standplaetsen voor den handel werden er vermeerderd. Men begon er dat jaer zelven koren te bouwen.
Er waren van de expeditie te land van M. Hunt dry
Canadianen overgebleven. Wanneer een van hen in 1829
in de vallei van den Wallamet begonnen had de aerde te
bebouwen, beweegde dit voorbeeld de twee anderen, die
Mi
^   'i aaaeaa •••ar
99
MISS1EN
zich spoedden het in 1851 ook te doen. Vele oude dienaers
van de Handel Maetschappy der Baei d'Hudson bekwamen
hetzelfde voordeel. Dewyl die kleine kolonie van dag tot
dag aengroèSïe, spoedde zy zich, maer zómder goed gevolg ,  om in i 854 priesters aen Mgr van Juliopolis bisschop van de Rivière-Rouge, te vragen. Zy vernieuwde in
het volgende jaer hare aenvraeg;   en   dit mael scheen de
zelve te moeten verhoord worden, want Mgr van JulioplÉis
bekwam van de geachte Handel-Maetschappy   der Baei
d'Hudson den overtogt op hare vaeitüigen voor twee mis-
sionnarissen en hunnen ingang in den Oregon. MynheeP
Blanchet verliet den 5 Mei  1858 LaehiriW en ging zynen
medegezel mynheer Demers aen de Rivière-Rouge afhalen.
Zy landden den 24 November by het fort Vancouver. Deze
standplaets is op den 45-56 noorder breedte, op den reg-
ten boord van de Colombia en  omtrent 55 uren van deff*
mond der rMer gelegin: wy gaen ons bezig houden met
de ligging en den afstand der andere plaetsëh, met betrekking tot deze.
De rivier Wallamet valt in de Colombik; zy heeft hare
monding twee uren beneden Vancouver aen de andere
zyde der rivier. Acht uren van haren mond is eeffi waterval van twintig tot vyf-en-veertig voeten hoogte en tieW
uren verderde inrigtingder Canadianen. Er wedden er in
1858 zes-en-twintig catholyke huisgezinnen behalven de
americaensche gevonden. De stichtii% der Methodisten
was vier uren verder op dezelfde rivier.
De rivier Cowlitz heeft hare monding twaelf uren beneden Vancouver in de zelfde rivier. Men moet dezelve
achtien uren opvaren om by de inrigting, die haren naeilf
draegt, te geraken. By de aenkomst der mission na rissen
hadden vier huisgezinnen der^Canadianen zléh op die plaets
gevestigd. Van daer om zich naer Nesqualy te begeven,
-dat aen het zuidelyke einde der baei Puget gelegen is,
moet men vyf-en-twintig of dertig uren alles zelf dragen ■*B»
VAN   DEN  OUÉGON. 25
i), en van die laetste^laets is de overtogt lë water byna
van dertig uren.om aen het eiland Whilbaie te komen.Nog
twee dagreizen verder naer het noorden vindt men den
mond der rivier Fraser en het Fort Langley omtrent tien
uren van haren mond. Die rivier ontlast zich in de baei
IjNaget of golf van Georgiën.
Wanneer men de Colombia ongeveer tien uren verder
dan Vancouver opvaert, dan bevindt men zich by de
Cascades en yyftien uren verder* ontdekt men de Grandes
Dalles of Wascopom.
Van die laetste plaets tot aen het Fort Walla-Walla
heeft men nog veertig, van dat tot aen het Fort Okanagan
vier-en-zestig en van dat laetste tot aen Colville vyf-en
zestig uren af te leggen.
De rivier Colombia volgt ongeveer 105 uren van haren
mond tot aen Walla-Walla de rigting van het westen
naer het oosten; daerna loopt dezelve zestig uren naer het
noorden tot aen Okanagan; zy herneemt hare eerste rigting
van het westen naer het oosten tot aen Colville; van daer
herneemt zy wederom haren loop gedurende dry graden
naer het noorden en daelt langs de Rotsbergengmaer het
zuiden, waer zy haren oorsprong neemt; haer loop heeft
eene uitgestrektheid van 426 uren. Een weinig hooger dan
Walla- Walla loopt een merfcelyke arm van die rivier,
<||e den naem van rivier der Nez-Percés aenneemt, naer het
zuid-oost, terwyl de voornaemste arm, tüe den naem van
Colombia behoudt, hare rigting naer he%noorden neemt.
De missie Sainte-Marie by de Têles-Plates, is tien
dagreizen naer het zuid-oost van Colville, en ongeveer
twee honderd tachtig uren van Vancouver gelegen. Het
verst afgelegene punt, hetwelk mynheer Demers bereikt
heeft,gelyk men het later zien zal, is het Lac d tours, in
(1) Dat is te zeggen, dat de reizigers moeten ontschepen en zel-
ven hunne pakken, hunnen voorraed en hunne bootjes dragen ,
wanneer zy tot dien dienst geene peerden ontmoeten.
lfi
mÊÊmam 24
M1SS1EN
Nieuw Caledoniën achter de Russische bezittingen. Dit lak
is ten naesten hy 500 uren van Vancouver.
Verscheidene bergketenen, die schier op alle wyze het
land doorsnyden en welke men dikwyls moet overtrekken
om van de eene plaets naer eene andere te gaen, maken
de zamenhandelingen moeijelyk, de reizen lastig en de
rivieren weinig bevaerbaer. In?t algemeen loopen die bergketenen van het noorden naer het zuiden, en byna in eene
evenwydige lyn met de Rotsbergen. De oevers der zee
zyn vooral bergachtig. Eene bergketen, die wel mei hout
hewasschen is, scheidt de vallei der rivier Wallamet van
de Stille zej^ Die vallei zelve is van de weilanden, die zich
van de Grandes Dalles of Wascopom tot aen Colville uitstrekken*, door eene andere bergketen afgezonderd, die
ook zyne rigting van het noorden naer het zuiden heeft.
Onder de andere verschillende bergen, welke men aen
weêrzyde van de vallei der Wallamet aentreft, bemerkt
men er dry, welker verhevene kegelvormige toppen, die
altoos mel||neeuw overdekt'zyn, hun den naèm van Mon-
tagnes de Neige bezorgd hebben.
De berg, die het naest by de inrigtirig der Canadianen
gelegen is, ^ de berg ffoad, alzoo genoemd naer den naem
van eenen der officieren van den kapitein Vancouver; de
tweede is de berg Sainte-ffélène, liggende ten oosten tegenover het huis der missie va$ Cowlitz op eenen afstand van
twee dagreizen. Hy heeft in zich een volkaen die slechts
sedert eenige jaren vooruitwerpt. De derde is de berg
Rai^ier liggende ten noord-oosten van het gezegde huis
van Cowlitz naer den kant van Nesqualy. Het twee derde
gedeelte van de hoogte dier bergen is met sneeuw overdekt.
Behalven de rivieren, waervan wy gesproken hebben,
zyn er vele andere, van welke de voornaemste zyn: ten
zuiden de rivieren Clamet en Umpqua, die zich in de
Zuid-zee ontlasten, de eerste omtrent den 45sten en de
tweede omtrent den 448ten graed noorder breedte. Die
HKHV' mummmmmmmv*
:
1     VAN  DEN  OREGON. 25
laetste is geenszins bevaerbaer. De achtbare Handel-Maet-
§gbappy der Baei d'Hudson jbeeft er eene standplaets voor
den koophandel, eenjge dagen van haren mond. Men treft
er ook die van Chekilis aen, die zich in den Oceaen omtrent den 478ten graed uitstort, maer zy is Biet zeerbelang-
ryk en kan niet bevaren worden» De Colombia is bevaerbaer tot aen de Cascades voor schepen, diefjl4 voeten diep
gaan; en de rivier Fraser is? het slechts tot eemen zekeren
afstand van haren mond.
Er zyn in den Oregon vele zeer uitgestrekte valleijen,
vol van vruchtbare weilanden, die, gelyk de bergketenen,
hunne ligging van het noorden naer het zuiden hebben.
Die vlakten zyn door beken en door de natuer gevormde
waterloopen doorsneden, die de bebouwing van het land
veel bevorderen. Alle zyn begoomd met bommen. De welf
landen hebben doorgaens eene breedte van een tot dry
mylen toe. Zy zyn met eene groeèe zode overdekt, welke
<te ploeg gemakkelyk opligt. Nogtans is de eerste oogsf er
niet overvloedig, om <fat die zode, omgekeerd in de aerde,
er de wortel van, het graen te zeer verhit, maer in het volgende vergadert de landbouwer doorgaens zoo veel, dat hy
genoeg geeft om er deftig van te teven. Het zaeijen van het
winter-koren heeft er plaets tot den 15 january; van feet
zomer-koren in de maend maert. Men kan het den geheelen
winter bebouwen.
Degrond van den Oregon is over het algemeen vrucht-
baer, vooral langs het zuiden. By Nesqual$^hpat hy van
de middelmatigste kwaliteit. Alle graen wascht volmaekt
wel te Cowliffz, te Vancouver, in de vallei van Wallamet
en byzonderlyk hoe meer men naer het zuiden afdaelt. Op
de boorden der rivier Walla-Walla, in de omstreken van
Colville en by de missie Sainte Marie groeit het graen ook
zeer wel. Men zaeit ook met goed gevolgen de nabyheid
der schans Langlei op de rivier Fraser. Op de noord-kusten winnende wilden aerdappelen, die dikwyls verschei-
?&^mm*m*mmwmmgmmm*mmmm *«Si
26
MISSIEN
denc ponden wegen. Nogtans ontmoet men vele streken,
waer de grond, vol van keiachtig zand, we&ig hoop aen
den landbebouwer zou og^ëveren, maer dezelve is dan uitmuntend voor weilanden. De luclltgesteldheid van den
Beneden-Orégon is in den winter gematigd. Nimmer valt
er de sneeuw^dikker dan dry of vier duimen: ook is het
zeldzaem, dat dezelve langen tyd hlyft liggen, ten zy de
grond bevrozen is. Alsdan heeft er eene overstrooming
plaets, indien de regens, die in den winter schier aen-
houdend zyn, hernemen en eenigel|tyd duren. Want die
sneeuw, wele eensklaps begint te smelten, vloeit in overvloed van de bergen, en dat water, vereenigd met dat der
regens, doet de rivieren zwellen en overstroorM de weilanden van den Wallamet. De luclltgesteldheid is overal
niet dezelfde; zy is kouder, hoe meer men de Rotsbergen
en de Noord kust nadert.
De wliÉ&èrtyd gaet doorgaens in schier gedurige regens
voorby. Zy zyn niet zeer overvloedig in October en November, maer houden byna niet op in December, January,
February en Maert. Het gebeurt nogtans, dat de groote
regens in den herfst komen, dat is te zeggen!; in November,
December en January; terwyl integendeel die maeaden
anders de zoete en aengename luclltgesteldheid van den
herfst behouden en de regens slechts later komen. De koude
is er nimmer streng en houdt ten hoogste eenige weken
aen. In den loop van zeven jaren is het ys slechts twee
mael op de rivieren Wallamet en Colombia zoo dik geworden , dat men er met wagens? over konde ryden. Men
doet er het vee niet op stal. De hitte des zomers is er min
verstikkend dan in den Canada. De lente is er ooit aenge-
namer.
Er heeft jaerlyks in de maend Jufiy eene overstrooming
der Colombia plaets. Doorgaens wordt zy veroorzaekt
door ttet smelten van den sneeuw der Rotsbergeniidoor de
aenkomende warmte van de lente op het einde der maend u*i .m»
mmmmmm
VAN  DEN  OREGON.
27
Mei. Dft is vooral opmer^ingsweerdig, dat dezelve al de
vier of vyf jaren aenzienlyker is. De Colombia is alsdan
geenszins bevaerbaer:>#^$# een s&elle stroom in geheel
illaren loop. Het water verspreidt zffch over de omliggendw
weilanden en overdekt zelfs de eilanden dier rivier iöW
eene*lnerkelyke hoogte. Hierdoor worden vele schoone
aehSggende weilanden on bewoon baéPgemaekt. Die overstrooming brengt soms groote nadeelen aeipde bezaeide
velden van Vancouver toe. In de gewoone overstrooiflln-
gen is de schade min groot.
Ofschoon het ons oogmerk niet is de inboritf en de zeden
der wilden van den Oregon te doen kelken, nogtans, na
eëÜ denkbeeld der belangrykhêid van dat land, van de
voordeden, van de hoedanigheden van zynen grond en
van de zachtheidzynsiuchsgestelsels tehebben gegilven^gilr
het niet ten onpas zyn, ons eenige oogenblffeken met den
üiborsPcn de gebruiken zyner inboorlingen bezig te
houden, om beterde kennenide beletselen, welke het liiht
van het Evangelie er ontmoet, de zwarigheden, welke de*
missionnarissen moeten overwinnen, de moed en de standvastigheid , waermede men moet gewapend zyn, om <Ü6
volkstammen tot Christenen te vormen.
Alhoewel de Oregon nooit zoo bevolkte te geweest. dan
de Antilles-eilanden endden Mexicé, wanneer men denzelven*
ontdekte, is het nogtans zeker, dat talryke stammen tot
aen 1850 byna geheel zyn grondgebied ovfèrdektenpMaer
de geessel, die dat jaer zelf de volkstammen der ri&ier
Colombia en der andere zuidelyke deelen vdrwoestte, heeft
hun getal vtó verminderd. Men beweert zelfs, dat er in
de streken, welke wy zoo eveé opgenoemd hebben,
naeuwelykseen derde van overblyft. Ofschoon de luclltgesteldheid van dit land zeer gezond voorkomt, rukte nogtans
eene koude en besmettende koorts, dienen dat zelfde jaer
1850 vertoonde, byna twee derde gedeelte der bewooners
weg, van de monding der rivier Colombia tot pn de Cas- «w»
28
MISSIEN
cades. Al de genen, die er mede besmet waren, waren,
om zoo te spreken, verzekerd van binnen weinige dagen
te bezwyken. Soms was zy zoo geweldig, dat de zieken er
als door verbrand en verteerd werden. In de hevigheid
der ziekte gingen eenigen zich in het water werpen, om
zich te verfrissen en, en die ongelukkigen hadden alleenlyk
den tyd om naer hun verblyf weder te keeren om cÉ te
sterven. Dikwyls gaven zy den geest alvorens hunne woning
bereikt te hebben. Dorpen, in alle rigtingen, verdwenen
geheel. In verscheidene streken wa# het getal der dooden
zoo aenzienlyk, dat men verpligt was de dorpen te doen
verbranden, om de pest te voorkomen, welke de onbe-
grayene ligchamen zouden hebben kunnen veroorzaken.
Ofschoon de blanken, op de schans Vancouver, door die
versehrikkelyke ziekte aengetast werden, wederhield dit
den geneesheer Maé^Laughlin niet, de ziekt#%i| trotseren
en van standplaets naer stand^laets te vliegen. Dag en nacht
was hy te been, om den zieken by te staen en hy deed het
meteenen yver en moe<|, die allen lof te boven gaen.
Dewilden*sbhreven in hunne bygdoovigheid, die geessel
aen de oneenigheid toe, die er ontstaen was tussehen eenige
burgers van de achtbare Handelmaetschappy der Baei
d'Hudsonenden kapitein van een amerikaensch schip, $ïe,
voor zyn vertreMi zeiden zy, om zich te wreken, in de
rivier geworpen had een stukje papier, dat de slechte
medecyn inhield (eene bygeloovige uitdrukking by de wilden, diegelyk staet met het woord betoovering of toovery)»
Vaartyd tot tydrdoen die koortsen zich nog gevoelen, maer
met mindere hevigheid. Bovendien is het gelukt krachtige
geneesmiddelen te vinden, om er zich van tegenezen of er
zich tegen te behoeden. De geessel, welken de wilden thans
het meest te vreezen hebben, zyn de pokken. Die on#%r-
zoenlyke vyand van het menschdom rigt, sedert eenige
jaren, onder de volken der rivier Um^qua, liaerkelyke
verwoestingen aen. Hunne moedeloosheid is sedert i§59 53»5?
mm
VAN  DEN  OREGON.
29
zoodanig, dat, wanneer men hun vr&egt, waerorniMf
geene groffte en schoone woningen, gelyfceertyds, bouwen,
zy antwoorden: | Omdat wy nifet lang te leven hebben. »
Nogtans ondanks de aenzienlyke verliezen, waervan
wy komen te spreken, bevat het grondgebied van den
Oregon nog ongeveer 200,0§Ö zielen (1) van welke het
grootste gedeelte by d$ Baei Puget, héfgefiitiffd VaWouver
en dat der Prinses Charlotte, ten noorden van dat van
Vancouver gevonden wordt. Men moet bemerken, dat
de volkslammen dj#r verschillende plaatsen tofe nu toe
het geluk gehad hebben, van vry van dien geellel te zyn,
welke in 1850 de Colombia zoo wreedelyk ontvolkt heeft.
Het is dereden, weerom zy thans in vergelyking der
andere zoo talryk bevonden worden. Men beweer!, dat
het eiland der Prinses Charlotte byna zoo groot is als Engeland endat hetzelve alleen 25,000 tot 50,000 wilden telt.
De inborsff der volkstammen van den Oregon is overal
op verre na dezelve niet. De wilden der oevers van den
Oceaen, vooral wanneer men naer het noorden kom$f$
schynen in 'algemeen veel woester en onmeÉichelyker,
dan die van hjêt binnenland. Niet mfei verschillen die
volkstammen onder elkander in gebruiken, zeden, tael
en gelaetstrckken zeivin. Er zyn schier zoo vele volken,
talen, stammen als plaetsen. Men telt er vyf-en twintig
of dertig verschillende tongvallen. De vorderingen van
het Evangelie lyden er merkelyk door, en die verscheidenheid van landtalen is het eenige bele$sel niet,Mat
den missionnaris veel moeijilykheid en zofg veroor-
zaekt. Het is ons onmogelyk in dit koï$rbe§fryp dei&den
en gebruiken van eiken volkstam te schetsen, en dikwytt^
moeten wy in 't algemeen de inboorlingen als natuerlyk
toeschryven, hetgeen slechts aen eenige stammen eigen
(1) Men geeft aen de Engelsche bezittingen ten noorden van óen
Oregon 100,000, aen de Russische 200,000 zielen.
•:..-ja8jirïM»K.; MMIM8«p
MISSIEN
is. Zoo zyn de wilden van het binnenland van eenen
zachten, minnelyken, gedienstigen en gezelligen inborst,
en nogtans wraekzuchtig en hooveerdig; zy zyn verstandig e% geestig, maer zorgeloos; zy gelooy^n aen de onsterf-
lykheid der ziel, of ten minste aen e^n ander Uven,
goed of kwaed, volgens dat men het verdiend heeft; maer
Wï¥ormen zich eenen ?JgemeI of eene hel op hunne wyze
en difcfniets anders is, dan eene plaets van overvloed of
armoede.ïJUet onze bedorvene natuer kan men zeggen,
dat hunne zeden eerder zuiver dan bedorven zyn;0voor
volken, die enkelyk het liöhfc der rede voor leidsman
hadden. Van het goed en het kwaed hebben zy een ge-
noegzaem klaer denkbeeld. Verscheidene groote grond!
regels van het regt der natuer worden onder hen erkend.
De rede en de openbare bewustheid van het goed en kwaed
verbidden en veroordeel en den diefstal, het overspel, den
doodslag en de leusentael. De veelwvfery wordt er eerder
geduld dan goedgekeurd Het zyn zeer dikwyls de oversten die{ slechts meerdere vrouwen nemen, om den$#rede
met de naburige stammen te bewaren. De ongebondenheid
is er ocflc^pnder de betrekking der zeden, nüjn groot, dan
men zich zou kunnen verbeelden. Alhoewel de welvoege-
]ykhfi$d en de opvoeding veel meer zouden vorderen, is
Qlfp er nogtans niet zolder eerbaerheid: men is bezorgd
zich te^ekken; de volstrektstejbescheidenheid heerscht
er tusschen de jonge lieden der beide geslachten. Het zyn
d%ouders, die de vereenigingen regelen en er de vooif?
waerden van bepalen. De vrouwen worden eerder gekocht
dan ten huwelyk gegeven. In de beggede familien wordt
eene bruid niet verkregen, zonder genoegzaem groote
geschenken van,d[iun|^en kant te geven. Maer komt de
vrouw testerven, de man of zyne ^uders hebbenjregt
weder te eisschen en terug te nemen hetgeen zy geschonken hebben. Hierdoor wil men niet te kennen geven , dat
de vrouwen er de slatinnen of dienstmeiden hunneikman- VAN  DEN  OREGON.
51
nen zyn, zoo als onder de wilden van den Canada: in
tegendeel zy hebben zelven vooreen groot deel slavinne%tot
haren dienst. Worden zy mishandeld, zy zyn bekwaeni
om zich te dfoden of op te hangen, gelyk soms gebeurd is*
Doch die geweldige dood is eene schande voor den|man,
en wee hem, indien hy de bloed vrienden der overledene
door geene nfeifsve geschenken te vreden stelt. Het zyn de
slaven, die schier al het werk doen; maer zy worden niet
zeer mishandeld, ten zy wanneer zy oud en nutteloos worden , want alsdan zal men ze zelfs van ellende en tenger
laten sterven. B^alven diegenen, welke in de slaverny
geboren worden, zyn er ook velen, die, ofschoon zy eer-
tyds vry waren, tot d$en verachtelyken staet slechts door
de ongelukken des oorlogs vervallen zyn. Het zyn nogtans
meesttyds de kinderen der overwonnenen, die f|at droevige lot ondergaen. De krygslieden trachten dgjouders te
ve^asschen *®a te dooden, om de kinderen te rooven en er
slaven van te maken. Het schvnt dat men er wil hebben,
wat het ook kosten moge. Het*is, om zoo te spreken , het
voornaemstef geluk der wilden. Men zal zelfs oorlogen ondernemen, om er zich te bezorgen. Thans schynen <!(£
blanken van hen niet veel te vreezen te hebben, ten zy aeflf
den noordkant langs den Oceaen, waer hun leven, zegt
men, nog niet in vejjigheid is. Men is vajp gedacht, ^at cjg
gevangenen op hunne feesten opgeëten woeden en er oojfe
stammen van menschenëters zyn. Aldaer is elke stam^
ofschoon de vlekken er talryker zyn, dan ergens eldgrs,
min verspreid; ook zyn zy er min omzwervend dan in het
overige gedeelte des lands; dit is ook de reden, weerom
hunne woningen grooter, hooger en sterkei*zyn. "Spmnee^
zy een overste hebben, die bekwaem is om zyn gezag t^
doen gelden en voofëd goed durft spreken, dan omringt
het gros van het volk hem altyd. Die soorten van oversten
zyn in het noordelyke gedeelte meer genteen dan ingiet
zuidelyk$. 52
MISSIEN
In byna geheel het land zyn de gebouwen eerder hutten
dan huizen. Het zyn soorten van loodsen van vyftien,
twintig of vyf-en-twintig voeten lang en breed naer evenredigheid, welker voorste gedeelte dry of vier voeten
hoog is*'en welker dak overdekt is met schors^fan eeder-
boomen. In het inwendige hangt men kruisgewyze stoken,
om den zalm, het vleesch en eenige andere zelfstandig-
heden, die tot voedsel verstrekken, te droogen. Er is gee£ÉÉ?
schotirw in, men stookt het vuer in het midden der hutten,
in eene soort van vierkanten put, welke men ter diepte van
omtrent eenen %oet in de aerde gegraven h%eft. Zyn er
verschillende huisgezinnen in de zelfde hut, elk heeft zyn
vuer, waervan de rook door het dak uittrekt. Hieruit ziet
men, dat die woningen nog veel vorderen om zelfs voor de
wilden fraei en aengenaem te zyn.
Hunne klëederen zyn geenszins fraeijer noch bekwamer
om hen tegen de koudeden de andere guerheden der lucht
te beschutten. Eertyds, zegt men, leefden zy rykelyk en
kleeden zich met Castorshuiden en van andere dieren,
welke zy4n overvloed hadden. Alsdan konden zy zich in
het koude jaergety wrarm dekken; maer Icdert dat de
koophandel der pelteryen er ingevoerd is, zyn die pelte-
ryen veel kostelyker geworden. De groote menigte, welke
men er uitgetrokken heeft, heeft dezelve ook veel raerder
gemaekt. in plaets van er overvloedig te vinden om zich,
op zyn europiaensch gelyk eertyds, te kleeden, zyn zy er
nu schier van beroofd. Waerdoor het gebeurt, dat de armen dikwyls voor alle kleeding niet hebben, dan een hemd
en eene deken; en het is aen die naektheid, aen die
armoede en aen de ongemakken , die er het gevolg van
zyn, dat men voor het grootste gedeelte de ziekten, waervan wy gesproken hebben, en de duidelyke vermindering
der inboorlingen toeschryft.
De wilden leven, in 't algemeen, van de jagt en de vis-
schery.   Hun gewoonlykste voedsel is de zalm, de steur VAN  DEN  OREGON.
dd
en verscheidene andere soorten vanvisschen; de eenden,
de trapganzen, de wilde kalkoenen, de reebokken en de
herten. Ook maken zy gebruik van veld vruchten en vooral
van den wortel Camask (Zie den brief van den 17 augustus
4845). Om den zalm voor den winter te bewaren, doen
zy erdegraet uit, verdunnen denzelven op den rug om
hem overal eene dikte van dry of vier duimen te laten, doen
denzelven daerna in de zon droogen en leggen hem weg.
Willen zy denzelven eeten, zy doen hem warm worden;
alsdan is hy het sappigste en vetste. Het is in de maend
juny, dat men op den zalm vischt. Om denzelven te vangen, bezigen de wilden doorgaens netten van vyftig of zestig vadems lang, welke zy zelven met de grootste hand-
zaemheid en volmaektheid maken.
Men vindt, om zoo te spreken, geen spoor van openbaren
eerdienst onder die volken. Alles bepaelt er zich tot zekere
sterk verbasterde en by gevolg zeer duistere overleveringen. Men zou nogtans gelooven er een kenmerk der overlevering van den zondvloed en de verlossing te ontdekken.
Er zyn er die hetbedryf van kwakzalver uitoefenen; maer
het is byna alleenlyk opzigtens de zieken en om hen te
genezen. Men laet ligtelyk en zelfs met drift den kwakzalver toe zyne guichelaryen uit te oefenen; maer wee hem
indien de zieke komt te sterven (1). Bezwykt iemand aen
eene buitengewone ziekte, het is zeldzaem, of men schryft
het aen eenige toovery toe en er het vermoeden niet van
op iemand valt.
Schoon al die volken byna altoos zonder eenigen open-
(1) De kwakzalver, die in zyne behandeling ongelukkig of de
persoon die verdacht is van de slechte medecyn in 't werk belegd te hebben, is in gevaervan gedood of uitgeplunterd te worden
indien hy zich niet vry koopt, door een groot deel zyner goederen
aen de bloedverwanten van den overledene te geven. Een zieke geeft
dikwyls al wat hy heeft om zich door den kwakzalver te doen
genezen.
V.
■ nu mam».
MISSÏEN
baren eerdienst geleefd hebben, schynen nogtans die van
het binnenland het christendom te beminnen.
Alvorens de missionnarissen in hunne menigvuldige en
moeijelyke reizen dwars door het grondgebied van den
Oregon te volgen, is het noodzakelyk dehagchelyke gesteltenis te doen kennen, waerin de catholyken van dat land
by de aenkomst van MM. Blanchet en Demers zich be-
vondenden hoe dringend er hunne tegenwoordigheid
verzocht werd, om het geloof dier geloovigen in veiligheid te stellen en de dwaling te beletten, er wortel te
schieten en er zich in te voeren.
De Handel Maetschappy der Baei d'Hudson bezat er alsdan aeht-en^twintig standplaetsen zoo in het noorden als
in het zuiden voor den koophandel der pelteryen. In elke
dier standplaetsen is er een zeker getal huerlingen, (1) die
schier alle catholyke Canadianen zyn. Er waren bovendien
te Wallamet zes-en-twintig en te Cowlitz vier catholyke
huisgezinnen. De Methodisten hadden er reeds twee mis-
sien: eene, vier uren van de kapel van de Wallamet, waer
eene school onder hunne bestiering was, en eene andere,
by Grandes Dalles. Een engelsche predikant bevond zich te
Vancouver. De Presbyterianen hadden ook eene missie te
Walla-Walla ; en sedert 1859 rigteden zy er eene tweede
in aen de rivier Spokan, eenige dagreizen van Colville.
Het was in 1840 dat de propagande der Methodisten van
den Oregon de grootste versterking ontvingen. Dat zelfde
jaer landde een M. Lee er met een schip aen, hy had by
zich verscheidene predikanten, vergezeld van hunne
vrouwen en kinderen; ook had hy landbouwers, grofsme-
den en andere ambachtslieden by zich. Het was eene ware
cplonie. Predikanten werden in de belangrykste standplaetsen gevestigd, zoo als by den waterval van de Walla-
(1) Die huerlingen zyn eigenlyk aengenomene jagers die voor d*
Maetschappy ter jagt gagn. VAN  DEN  OREGON.
o5
met, by de Clatsops beneden het fort George (eertyds
Astoria) en te Nesqualy. De aenkomst der catholyke mis-
sionnarissen was een donderslag voorde predikanten. Vele
zorgen en onderwyzingen, vele moeite en veel geduld zyn
er noodig geweest om de wankelende gewetens der catho-
lyken te verlichten of in de waerheid te versterken en om
zoo vele persoonen tot de oefeningen van den godsdienst
terug te brengen, die dezelve sedert vele jaren verlaten of,
in het ongeloof opgevoed, nimmer er iets van gekend of
beoefend hadden.
Ziedaer, waerom de missionnarissen op zekere wyze
verpligt waren zich te vermenigvuldigen.
Naeuwelyks hadden MM. Blanchet en Demers zich naer
hunne bestemming begeven, of zy begonnen hunnen apos-
telyken arbeid te Vancouver. Zy arbeiden te zamen in die
standplaets, sedert den 24 January 1859, wanneer M.
Blanchet vertrok om de missie aen de Canadianen te Wallamet te geven, terwyl M. Demers het overige van den
winter in het fort Vancouver overbragt om die eerste
nieuwe bekeerden in het goed te versterken. De Canadianen van de Wallamet hadden eene kapel gebouwd van
zeventig voeten lang. De aenkomst van M. Blanchet was
voor hen eene ware vreugd; mannen, vrouwen, kinderen,
allen schenen in vlyt en yver te wedyveren. Ook had M.
Blanchet de vertroosting van voor zyn vertrek een groot
getal huwelyken te kunnen zegenen en het doopsel aen
vier-en-zeventig persoonen toe te dienen. De kapel werd
ingewyd onder de aenroeping van den H. Paulus die aen
dezelve tot patroon gegeven werd; en hierom neemt de
inrigting der Canadianen van de Wallamet ook den naem
van S*. Paul aen.
Na de missie van de Wallamet was het de inrigting van
Cowlitz, die dezelfde gunst genoot. M. Blanchet begaf
zich in de maend April derwaerts en verliet dezelve niet
dan omtrent het einde van Juny. De vruchten f welke hy
VJMjiJ
w
*^8|BPW»fWW"'«' - mtmm
56
MISSIEN
er inzamelde, waren zeer vertroostend. Het was gedurende
zyn eerste verblyf in die standplaets, dat hy het genoegen
had van twaelf wilden der baei Puget te ontvangen, die,
vergezeld van een Opperhoofd, meer dan vyftig uren ver
gekomen waren, met voordacht om hem te zien en te
hooren. By die gelegenheid dacht hy de catholyke ladder
uit, die sedert dien tyd van eene zoo groote hulp in de
missien is geweest. Die wilden waren even als twaelf
apostelen: zy waren lang genoeg te Cowlitz gebleven om
eenige der voornaemste waerheden van den godsdienst te
leeren, vooral de uitlegging der ladder, van welke wy zoo
even gesproken hebben en die zoo wonderlyk bydraegt
om de voornaemste gebeurtenissen zoo van het oude als
nieuwe Testament in het geheugen te rangschikken. By
de wederkomst in hunne stam, beyverden zy zich aen de
anderen mede te deelen, wat zy geleerd hadden.
TerwylM. Blanchet te Cowlitz predikte, ging M. Demers
Nesqualy bezoeken. Hy vond er de wilden in de beste gesteltenissen. De oversten der baei Puget, onderrigt van
zyne aenkomst, begaven zich terstond derwaerts. Hy begon
hen te onderwyzen; maer de tyd liet hem niet anders toe
dan het eerste zaed uit te werpen, omdat hy in het begin
van Juny te Vancouver moest wedergekeerd zyn, om er
zich te vervoegen by de huerlingen van Nieuw Caledonien
en van Opper Colombia, die er jaerlyks op dat tydstip aen-
komen, om er de pelteryen van hunne standplaetsen te
brengen. Dewyl er een zeer groot getal van huerlingen
van byna al de standplaetsen komt, begrypt men, dat het
eene gelegenheid is om er velen te gelyk te onderwyzen
en dat men dit niet mag veronachtzamen. Ook kwam M,
Demers, na de wilden van Nesqualy te hebben onderwezen,
by tyds genoeg te Vancouver, om niets van eene zoo voor-
deelige omstandigheid te laten voorbygaen. Hy bleef er
eenemaend. Daerna vertrok hy naer de Opper Colombia. Hy
bezocht Walla-Walla, Okanagan, Colville, onderwyzende VAN   DEN  OREGON.
O
en doopende op zynen weg de kinderen, welke men hem
kwam aenbieden. Die reis duerde dry maenden, tydens
welke M. Blanchet zorg droeg voor de geloovigen van S*.
Paul van de Wallamet en voor die van S*. Nom-de-Marie,
van Vancouver en van S*. Francois-Xavier te Cowlitz.
Ondanks zyne bezigheden vertrok hy nogtans nog in het
begin van September naer Nesqualy. Naeuwelyks was hy
er aengekomen of de hoofden der baei Puget, die het vernomen hadden, begaven zich in allen spoed derwaerts met
een groot aen tal van hun volk. De yverige missionnaris liet
eene zoo schoone gelegenheid niet voorbygaen, om in eene
zoo wel bereide aerde het woord van het Evangelie te
zaeijen. Hy onderwees die volken met al de zorgen en
moeijelykheden, waertoe hy bekwaem was, zonder nogtans
de gehuerde Canadianen van die standplaets zoo min als
hunne vrouwen te veronachtzamen.
De twee missionnarissen vereenigden zich in de maend
van October te Vancouver, hetwelk sedert hunne aenkomst
in 1858 steeds als de plaets van hun verblyf aengezien is
geweest. Zy scheiden op nieuw van elkander den 10 der
zelfde maend, om den winter elk in zyne byzondere standplaets te gaen overbrengen: M. Blanchet in Saint-Paul van
de Wallamet en M. Demers in Saint-Francois-Xavier te
Cowlitz; ten einde zich met die inrigt|ngen op eene meer
byzondere wyze gedurende den winter en regentyd bezig
te houden. Dat eerste jaer hadden zy het gejrak van het H.
Doopsel aen 509 persoonen toe te dienen.
In 1840, zoohaest de lente aengekomen was, kwamen
de twee missionnarissen weder te Vancouver byeen, om
elkander te raedplegen en hunne missie te regelen. Korts
daerna vertrok M. Blanchet naer Nesqualy en M. Demers
ging de Tchinouks bezoeken.
Deze, na dry weken in het onderwyzen der Tchinouks
te hebben doorgebragt, keerde weder naer Vancouver om
er de benden der huerlingen van Nieuw Caledonien, van
s
 i - 58
M1SSIEN
Opper Colombia en van Californien aen te treffen. Tegen
het einde dier maend verliet hy hetzelve weder, om de
standplaetsen van Walla-Walla, van Okanagan en Colville
te gaen bezoeken, gelyk hy het voorgaende jaer gedaen
had-, en men zou op den leerling kunnen toepassen hetgeen
van den Meester gezegd is: Transiit benefaciendo. Het was
alsdan dat de Pater De Smet, die niet wist, dat de Oregon
reeds twee missionnarissen bezat, door zyne overheid tot
de Têtes Plates (missie Sainte-Marie) gezonden werd. Maer
zoohaest hy ervan onderrigt was, schreef hy terstond aen
M. Demers, om hem te kennen te geven, dat hy naer Saint-
Louis ging wederkeeren, om er hulp te halen en het volgende jaer met versterking (1) zou wederkeeren. In die
tweede missie was M. Demers wederom dry maenden op
reis.
Ondertusschen begaf M. Blanchet zich naer Nesqualy.
Hy kwam er in de maend April aen. Maer naeuwelyks had
hy er acht dagen overgebragt om de wilden dierstandplaets
te onderwyzen, of de oversten der baei Puget lieten hem
bidden van by hem te komen. In het gedacht dat hy zulks
niet weigeren mogt, ondernam hy die reis om die volksstammen te bezoeken en drong door tot aen het eiland
Withbaei. Het was alsdan dat hy het vermaek had van
wilden te ontmoeten, die, zonder ooit missionnarissen te
hebben gezien, het teeken des H. Kruis wisten te maken,
lofzangen te zingen, enz., en zelfs den dag des Heeren
onderhielden. Het waren de hoofden, die hen onderwezen
hadden, in hetgeen zy te Nesqualy hadden geleerd. Die
missie bragt vele vruchten voort: er werd een kruis geplant, een groot aen tal kinderen gedoopt, twee stammen,
die in oorlog waren, werden verzoend en de hoofden vraeg-
den priesters om hen meer te onderwyzen. De catholyke
(1) De byzonderheden zyner missie zyn in 1843 te Mechelen
uitgegeven.
^m=
-^rinm ii '
.
■iU inn, ses
VAN  DEN  OREGON.
59
ladder ging van stam tot stam over en de geleerden ver-
klaerden dezelve aen de anderen. Zy was voor hen een
goddelyk boek. m
De missionnarissen, na verscheidene huwelyken gezegend
en bovendien 288 doopsels, byna allen in dezelfde missien,
gelyk het voorgaende jaer toegediend te hebben, kwamen
nograaels tegen den herfst byeen te Vancouver, alvorens
den regentyd in hunne eigene standplaetsen te gaen doorbrengen. M. Blanchet begaf zich naer St Paul van de
Wallamet en M. Demers naer Saint-Francois-Xavier te
Cowlitz. Dat jaergety was voor hen geen rusttyd. Want j
behalven dat zy de kinderen en de onder wyzelingen, die
zich jaerlyks op die standplaetsen bevonden, in den godsdienst onderwyzen moesten, hielden zy zich ook bezig om
voor de landbebouwers en hunne vrouwen te zorgen, die
zuchtten over het afwezen van hunne geestelyke vaders en
hen gedurende geheel het jaer zouden hebben willen bezitten ; zoo hongerig waren zy naer Gods woord en zoo
zeer verlangden zy, in den dienst des Heeren de jaren,
welke zy in den dienst des duivels verloren hadden, te
herstellen. Het was in den loop van den zomer van 1840,
dat een engelsche kapitein, Belger genoemd, met zyn
klein eskader de Colombia opvoer, om er eenekaert van
op te maken. Daerna ging hy de kusten der zee bezoeken,
zoo ten noorden als ten zuiden van de monding der rivier.
In de lente van 1841, bezocht M. Demers nogmaels de
benden der huerlingen te Vancouver, alvorens naer zyne
ver afgelegene standplaetsen te vertrekken. Hy begaf zich
naer Nesqualy, Voerde baei Puget in, en die yverige werkman drong, onder het geleid der hoofden, die hem van
stam tot stam bragten, zelfs door tot aen de schans Langley,
gelegen op de rivier Frazer. Hoe groot moest zyne vreugde
niet zyn er zich byna eensklaps door vele duizende wilden
omringd te zien, die tot dan toe niet gewoon waren elkander te ontmoeten dan met de wapenen in de hand en den ? as *%- ^iwffiwwwww
W^^^^WIIW    J»
40
MISSIEN
oorlog aen te doen! Zy allen lieten hunne kinderen ten
getalle van 765 doopen.
TerwylM. Demers de eerste vruchten van eenen zoo over-
vloedigen oogst inzamelde, bleef M. Blanchet van zynen
kant niet ledig: na by de Wallamet de eerste communie
te hebben laten doen, bezochthy de inrigtingen van Vancouver en Cowlitz. Daer hield hy zich bezig met de meerderjarige en legde de vrouwen en kinderen dier standplaetsen den catechismus uit. Sedert de lente zelve had
hy de wilden van den waterval der Wallamet en die der
rivier Tlakémas, die slechts eene myl van den waterval
wroonen, bezocht. M. Blanchet onderwees hen, leerde hun
eenige gezangen en verliet hen niet, dan na hunne kinderen
gedoopt en hen in hunne voornemens versterkt te hebben.
Gedurende denzelfden zomer ging hy de wilden der Cascades bezoeken; die missie was niet zonder vrucht: de
kinderen werden er gedoopt en vele volwazenen onderwezen.
De Pater De Smet, getrouw aen zyn woord, kwam in
den herfst van 1841 by de Tètes Plates weder, vergezeld
van de Paters Point en Mengarini. Gevolgenlyk wrerd de
missie Sainte-Marie dat zelfde jaer ingerigt. De wilden
werden er onderwezen en gedoopt en de huwelyken gezegend. (Zie Voyages aux Montagnes Rocheuses).
Omtrent dien zelfden tyd had men de vertroosting door
brieven, te Canada aengekomen, te vernemen, dat twee
nieuwe Canadiaensche missionnarissen: MM. J.-B. Zacharie
Bolduc en A. Langlois, ter zee naer den Oregon vertrokken waren.
Ondanks de gevaren eener reis in den winter, ging M«
Blanchet zynen medebroeder bezoeken. Het scheelde weinig*
of zyn moed en zyne opoffering kwamen hem duer te
staen. Den 16 December voer hy de rivier Wallamet op,
die alsdan door de winterregens opgezwollen was, zag hy
zyn schuitje omslaenen de zeven personen, die het voeren^
Mna^<
£**
****« VAN  DEN  OREGON.
door den stroom medesiepen. De Voorzienigheid liet niet
toe, dat iemand van hen omkwam. Het geluk wilde, dat
hy voor het ongeval het bootje verlaten had en alzoo het
gevaer ontkwam.
In de lente van 1842, werden zy, terwyl M. Blanchet
te Wallamet bezig was in de christelyke leering te onderwyzen en M. Demers zyne zorgen aen de geloovigen van
Vancouver besteedde, op eeneaengename wyze verrast door
de aenkomst van den Pater De Smet, die van de Têtes
Plates afkwam, om hen te kunnen aentreffèn en met hen
raed te plegen. Die onverschrokkene missionnaris was byna , by het afvaren der Colombia, niet ver van Colville
waer hy zich in eene nieuwe sloep begeven had omgekomen, en hy is zyn behoud, gelyk M. Blanchet, slechts
verschuldigd aen de goedheid der Voorzienigheid, die niet
toeliet, dat hy in de sloep ware, wanneer de zelve door
eenen snellen stroom (1) omgeworpen werd en hy hel
hertzeer had, van er vyf mannen van het scheepsvolk te
zien omkomen en al zyne goederen te verliezen.
De dry missionnarissen kwamen eerst by de Wallamet,
daerna te Vancouver by een; zy vormden de ontwerpen,
die sedert dien tyd zoo wonderlyk tot het voordeel en den
voorspoed van den godsdienst onder de wilden van het
uitgestrekte grondgebied van den Oregon gestrekt hebben.
HetNieuw-Caledonien is 200 uren van Vancouver. Men
besloot, dat M. Demers op reis zou gaen, om zich derwaerts te begeven. Hy begaf zich op de sloepen der Handel
Maetschappy van de Baei d'Hudson en kwam in Caledonien
Islechts na eene reis van twee maenden aen. De oogst was
in dat verafgelegene land ryp. De wilden ontvingen hem
(1) De Colombia is op zeer velejjjlaetsen door die linien van rotsen doorsneden, die in haer bed eene soort van banken vormen,
waervan het water zich neerstort.'
Men vaert over die banken op de plaetsen, die het minst verheven zyn. Dit noemt men een snelstroom.
?*?3CMfe««U*i£ mmmmmm ..msim
MÏSSIEN
met opene armen en waren zeer yverig om zyne onderwy-
zingen te komen bywoonen.Hetwas verbazend om hem te
zien; mannen, vrouwen, kinderen, allen wedyverden in
vurigheid om de onderwyzingen te volgen en voordeel
met die dagen van genaden en zaligheid te doen. Men zou
gezegd hebben, dat die ongelukkige barbaersche volken te
voren de behoefte aen eenen geopenbaerden godsdienst,
de voortreffelykheid des christendoms en het geluk begrepen hadden van door het licht van het Evangelie bestraeld
te worden. M. Demers kon zich overtuigen , dat die goede
wilden in goede gesteltenissen en vurigheid niet weken
aen den stam der Têtes Plates, die gerekend wordt een'
zoo byzonderen smaek en zoo groote aentrekkelykheid
voor de deugd te hebben. Zy konden zich niet wederhou-
den stroomenv van tranen te storten, wanneer zy hem
zagen vertrekken, wien zy hunnen vader noemden en die
het om eene zoo billyke reden was.
Terwyl M. Demers zoo schoone vruchten in het Nieuw
Caledonien vergaderde, ging de Pater De Smet, die zich
met de moeijelyke taek belast had van de Rotsbergen over
te trekken, in het begin van July op reis. Hy bezocht, in 't
voorby gaen , zyne missie Sainte-Marie en begaf zich in
December naer Saint-Louis by zyne eerste overheid, om
nieuwe versterkingen te hebben. Maer dewyl deze oordeelde , dat het noodzakelyk werd van terstond krachtdadigere maetregelen te nemen, hield hy zich te vreden in
de>Jente van 1845, naer de missie Sainte-Marie de Paters
De Vos en Hoeken te doen vertrekken, die by de Têtes-
Plates slechü den volgenden herfst aenkwamen; hy hield
Pater De Smet by zich, om hem naer Europa te zenden,
waer hy het zelfde jaer aenkwam, en Italiën, Frankryk en
België zyn vaderland bezocht.
Sedert het vertrek van M. Demers naer Nieuw Caledonien en dat van den Pater De Smet naer Saint-Louis,
bevond M. Blanchet, die in Lagen Oregon gebleven was,
ï
**w-
JfflNMBjMS
V—* ■^TlHt-'J »■!"-"'-
VAN  DEN  OREGON.
zich alleen belast met geheel dat gedeelte. Wallamet, Vancouver en Cowlitz eischte beurt om beurt zyne tegenwoordigheid weder en hy moest bovendien nog zorg dragen
vooral de wilden der omstreken. Geheel die zomer was
voor hem op zekere wyze eene gedurige reis; in den herfst
zag hy MM. Langlois en Bolduc j na eene reis van een jaer,
sedert hun vertrek uit Canada, aenkomen.
Ondanks de vermoeienissen van eene zoo lange reis,
waren de twee nieuwe missionnarissen gedwongen, zich
aenstonds aen het werkte begeven. Zoohaest de eerste com*
munie te Wallamet gedaen was, dewyl men dezelve te
Vancouver ook moest laten doen, vertrok M. Blanchet met
M. Langlois er naer toe. Zy arbeidden er eenigen tyd.
Maer dewyl het jaergety om zyne winterkwartieren té
betrekken gekomen was, keerde M. Langlois naer Wallamet weder en M. Bolduc ging voor de missie van den
Cowlitz zorg dragen, die zich over het afwezen van M.
Demers niet konde troosten. M. Blanchet bleef belast met
Vancouver, waer de gehuerde jagers der maetschappy,
hunne vrouwen en kinderen, als ook de wilden der omstreken niet ophielden zyne bediening te vorderen. De dry
missionnarissen bragten den winter elk in hunne stand-
plaets over, en zorgden bestendig voor die nieuwe chris-
tenheden. Het was ook dat zelfde jaer 1845, dat de Paters
Jesuiten de missie van het Sacré Coeur de Jésus onder de
Coeursd'Alênesinrigtten. Wanneer die volkstam het geluk
gehad had van het geloof te omhelzen, waren de Paters gelukkig genoeg van er eene kapel te kunnen bouwen, een groot
aental huwelyken te zegenen en al de kinderen te doopen.
De winter van 1845 scheen een einde te nemen; M.
Demers, na de voornaemste standplaetsen van Nieuw Cale-
doniën doorloopen en tot aen de Lac a 1'Ours doorgedrongen te hebben, begaf zich op reis om tot zyne medebroeders weder te keeren, die beneden de rivier Colombia
waren. Hy verliet het Nieuw Caledonien in de maend
wrmr-j -ntiJran-jiri—jt-■ _--.'—. ~_v~ï "^v;' 44
MISSIEN
February en kwam in het midden van April aen het fort
Vancouver. M. Bolduc bezocht in de lente het eiland Vancouver en dat van Whitbaie.
De Paters de Vos en Hoeken, als ook dry broeders medehelpers kwamen in september by de Tètes-Plates, en
bragten den winter in de missien van den Opper-Orégon
over. Die Paters, die vyf in getal waren, arbeidden met
eenen uitslag, welken men wonderlyk zou mogen noemen,
zoo zeer hebben de godsdienst en de godsvrucht reeds de
stammen veranderd , welke zy in den godsdienst onderwezen hebben en in welke zy denzelven diepe wortelen
hebben doen schieten.
Het was omtrent dat tydstip, wanneer M. Blanchet te
Wallamet een opvoedingshuis deed oprigten, welks bestier
hy toebetrouwde aen M. Langlois , wien hy ook belastte
met de missie van St. Paul. M. Blanchet bragt den winter
te Vancouver door en MM. Demers en Bolduc hadden
Cowlitz voor hun deel.
Zoohaestde lente van 1845 gekomen was, ging M. Blanchet Cowlitz bezoeken. Ondanks den arbeid, welken de
twee missionnarissen er vonden, trok hy er M. Demers
weg om hem by de chut of Oregon-City te vestigen, waer
zyne tegenwoordigheid meer en meer noodzakelyk werd.
Die kleine stad, hoofdplaets van den Oregon, is haren oorsprong aen den geneesheer Mac Laughlin te danken, die er
in 1842 de eerste gebouwen deed oprigten. Zy telde reeds
meer dan zestig huizen by de aenkomst van M. I^emers.
Het werk ontbrak aen M. Blanchet in zyne missie van
Vancouver niet, nogtans was hy dikwyls verpligt dezelve
te verlaten, om zich in persoon te verzekeren van de hulp,
die er elders noodig was en van de vorderingen, welke de
godsdienst deed.
De Pater De Smet kwam in het begin van Augustus
1844 te Vancouver, vergezeld vandeeer§v. Paters Accolti,
Vercruysse,'Ravalli et Nobili en van zes kloosterzusters van
Notre-Dame van Namen.
I •**r
-MiV-.KU.'V ^msam^mm^    ■... m
VAN   DEN  OREGON
45
M. Blanchet had' te Wallamet naeuwelyks hunne gelukkige aenkomst vernomen, of hy vertrok naer Vancouver,
en ofschoon men in het midden van den oogst was, zag hy zich
van schuitjes, vol wilden vergezeld, die, in hunne vreugd,
hunnen oogst verlaten hadden, om de nieuwe kolonie te
gemoed te gaen. MM. John Mac Laughlin en James Douglas
ontvingen hen te Vancouver met de grootste blyken van
achting en alle mogelyke beleefdheid. Die heeren toonden
zelfs zulk eene gedienstigheid, dat zy eene sloep leenden,
om de kloosterzusters naer Wallamet te brengen. Deze
maekten er gebruik van en de Paters bedienden zich van
de bootjes. Hunne togt tot aen Saint-Paul was een ware
zegeprael.
De zusters namen bezit van het klooster, hetwelk men
haer bereid had, maer dat nosniet geheel voltrokken was.
De Paters Jesuiten vestigden zich eenen kleinen afstand van
Saint-Paul en stichtten het huis van St. Francois-Xavier.
Pater De Smet vertoefde niet zyne apostelyke omreizen
te hernemen; van in den herfst begaf hy zich tot de Têtes-
Plates. Er werd eene nieuwe missie onder den naem van
Saint-Ignace eenige dagreizen van die van Sainte-Marie en
vanS^Cceur de Jesus gesticht. Eenigen tyd daerna kwamen
van Saint-Louis door de weilanden by de Paters Jesuiten
die hun huis by de Bergen hadden, de Paters Zerbinati en
Joset alsook een broeder medehelper.
Het jaer 184^ moet dan aengezien worden als een tyd-
stip der Voorzienigheid voor de missie van den Oregon. De
aenkomst van zeven Jesuiten, in eene missie, die slechts
vier Paters, en even zoo vele wereldlyke Priesters bezat,
verschafte waerïyk eene merkelyke versterking. Maer wat
zyn zestien missionnarissen voor eene zoo uitgestrekte
missie en waer zoo vele heidenen gevonden worden. Want
op de 200,000 wilden, telt men slechts omtrent 6,000
christenen. Welke oneindige oogst blyft er dan nog over
om in te zamelen! Wy hebben gezien jj met welke vurig-
■ ■ TmjrfYf mitam
46
M1SSIEN
heid geheele volkstammen het geloof omhelzen, met welken aendrang zy missionnarissen vragen. Op het oogenblik
van het vertrek van Mgr Blanchet waren twee wilden van
Nieuw Caledonien naer Vancouver gezonden door de
stammen van dat ver afgelegene land, om priesters te
vragen; die der baei Puget, die er sedert 1859 met zoo
grooten aendrang om smeekten, hebben, sedert het vertrek van Mgr. Blanchet, niet opgehouden hunne bede te
hernieuwren. De wenschen der eersten zyn in den loop van
het laetste jaer verhoord geworden; Pater Nobili is hen in
den godsdienst gaen onderwyzen. Die der anderen zullen
by de wederkomst van Mgr. Blanchet vervuld worden;
maer hoe vele andere stammen zullen van dat geluk nog
beroofd bly ven!
Eene missie, die nog maer in haer begin is, die aen alles
gebrek heeft, die lange en kostbare reizen vordert en een
groot aen tal mission narissen, kan niet bestaen dan met eenen
overeenkomstigen onderstand in hare behoefte. Indien de
onkosten, welke dezelve vordert, merkelyk zyn geweest
en nog zyn, is het ten minste vertroostend te zien, dat
dezelve niet nutteloos zyn geweest. Zes duizend heidenen,
in zes jaren christenen geworden, vyftien kapellen opgerigt,
een pensionnaet en een klooster gesticht, vyftien honderd
Canadianen vertroost en bediend, zyn daedzaken, die luid
genoeg spreken om er de vruchten van te bewyzen. Wanneer men het kleine getal van missionnarissen vergelykt
by de grootheid van den goeden uitslag, heeft men moeite
te begrypen, hoe dat alles zonder wonder heeft kunnen
vervuld worden! Er blyft niet over dan den Heere te
vragen van zyn werk voort te zetter/; en aen de leden van
de voortplanting des geloofs, dan de Voorzienigheid door
den dubbelen by stand hunner gebeden en aelmoesen te
ondersteunen. VAN  DEN  OREGON.
47
Statistiek tor Mi&zit van ben ©regon.
il
Totael der wilden, ongeveer 200,000
Christenen wilden  6,000
Canadianen     .    .    .    .    .  f   .    .    .    .        1,5000
Amerikanen  10,00
Landbebouwers van Canada, huisgezinnen. |    180 a 200
Engelsche onderdanen. 500 a 400
Jesuiten  10
Broeders Jesuiten  6
Missionnarissen van Canada.    ..... 4
Kloosterzusters der inrigting van Notre Dame
van Namen (België). .    .  6
Eencollegie van 60 voeten lang en 25 breed.
Het huis van S* Francois-Xavier 45 voeten lang en 55
breed.
Een klooster van 60 voeten lang en 50 breed.
Een huis van 80 voeten lang, met eene kapel tot het
gebruik der gemeente.
15 Kapellen: 5 op de Wallamet, 1 te Vancouver, 1 by
Cowlitz, 1 te Whitbaei, 4 in Nieuw Caledonien, 4 in de
missien der Rots-bergen, namelyk: by de Têtes-Plates
(Sainte-Marie, het S' Coeur, S* Ignace en S* Paul van Colville) , 1 by de Chute of Oregoncity.
Het vee, zoo als de hoornbeesten, de schapen, de verkens
en]vooral de peerden, is er in zeer groot getal. De eerste
huisdieren werden er in 1857 van Californien ten getalle
van 600 gebragt.
Het gevogelte zoo als de hennen, de kalkoenen, de
ganzen, de eenden zyn er ook in overvloed. Brieven van
den Canada kwamen den 4n November 1844 te S* Paul
van de Wallamet aen en deden er weten, dat bullen^lge-
dagteekend van den ln December des voorgaenden jaers
aen Mgr. Blanchet afgezonden waren ï door welke bullen
Hüf 48
MISS1EN
at-
den Oregon tot een Apostelyk Vicariaet!verheven was. De
missionnarissen van den Oregon praemden hem terstond
tot de aenneming. Dewyl de hulp, die met den Pater De
Smet toegekomen was, voor de behoefte der missie onge-
noegzaem was, besloot Mgr. Blanchet naer Europa over
te steken om er zich nieuwe versterkingen te bezorgen. Hy
vertrok van Vancouver den 28 November 1844 op een
schip, dat naer Londen onder zeil ging , waer hy den 22
Mei aenkwam. Den 4 Juny ging hy wederom te scheep te
Liverpool op den steamer der linie Cunard en kwam den 24
van dezelfde maend na eenen overtogt van 7,522 uren in
den Canada aen.
Hy begaf zich derwaerts om de bisschoppelyke wyding
uit de handen van Mgr. den Aerts-bisschop van Quebec
te ontvangen. De plegtigheid had plaets in de hoofdkerk
dier stad, te midden van eene groote menigte van geloo-
vigen, die zelfs uit ver afgelegene parochien toegekomen
waren. Meer dan twee honderd geestelyken woonden de
zelve by. 1
Den 12 Augustus 1844 verliet Mgr. Blanchet Montreal
en hy kwam in Europa om er nieuwe medewerklieden
in den wyngaerd des Heeren te zoeken. Hy doorliep beurtelings Engeland, Frankryk, België, daerna begaf hy zich
naer Rome om den Opperpriester den staet en behoefte
van zyn uitgestrekt bisdom voor te stellen. Zyne Heiligheid
verdeelde den Oregon in acht bisdommen en verhief den
zelven tot eene kerkelyke provincie, waervan Mgr. Blanchet
Aerts-bisschop is benoemd, onder den titel van Aertsbis-
schop van Orégoncity en primaet dier provincie. De twee
Suffraganen zyn Mgr. Demers, reeds bisschop benoemd
van het eiland Vancouver en Mgr. Blanchet, broeder van
Mgr. den Aerts-bisschop, bisschop van Walla-Walla (1).
De weerdige Aerts-bisschop ging in de maend february
(ft
(1) Gewyd den 27 September 11. te Montreal.
E» VAN DEN OREGON.
49
1847 te Brest (Frankryk) scheep op een nieuw vaertuig,
genaemd VEtoile de la mer. Hy is vergezeld van 26 persoonen , namelyk: 2 Paters en dry Broeders Jesuiten, 5
wereldlyke Priesters, 2 Subdiaken ep eenen Getonsureer-
den; 2 Paters en 4 Broeders van Notre Dame de Sainte-
Croix (van den Mans) voor de scholen der jongens, en
7 Kloosterzusters van Notre-Dame van Namen voor die
der meisjes.
Die zoo belangryke missie zal dus eene aenzienlyke
versterking ontvangen, ofschoon zeer ongenoegzaem om
de uitgestrektheid van dat land en den apostolyken arbeid , die er te ondernemen overblyft. Laet ons hierby
voegen, dat reeds de grondslagen van verscheidene steden
op verschillende punten van dat uitgestrekt grondgebied
gelegd zyn. De voornaemste heeft den naem van Orégon-
city verkregen: zy wordt gebouwd op de Wallamet naby
eenen schoonen waterval. Indien het ontwerp van den
spoorweg, die de Vereenigde Staten en den Oregon in geheel hunne breedte moet doorsnyden, wordt uitgevoerd,
gelyk men reden heeft te gelooven, zal de overtogt van
België meer dan een derde verkort worden en er zal wel-
haest eene geregelde zamenhandeling tusschen Europa en
dat gedeelte van America, waerin wy een zoo groot belang
stellen, ingevoerd worden.
liïl$if>®®©@©©(^i
Ü
1
V.   M.
4
-   i"       .lil —-'-   I Ii^^j—«*
j^-ijK^ar1''^.'  ^■J« .■ K.M.. WPJk._JW! ■'■JLJHM-4 Jl ü» -JJUi-v J
«ÜILEJ.--Jtós55
SI
^y
Iffl VAIV DEI ORÉ
EN
REISVERHALEN
NAER   DE
**M?
LANGS  DE  OEVERS  VAN  DE
Colombia, de Athabasca en de Sascatshawin.
Door den Pater P.-/.   De  Smet,
der Sociëteit Jesu.
Hl lifci!
*■
P
il ipum, ^ ijuii _,ii.iu. i ^wgAimsiMiüiij
Daggen
Sneeuwschoenen.
Buffalo of Buffel van Amerika. N9 XV
f.iZA. dié v.'"V&JUJterSc/teótüen* "SP—^B5&BKr?
*_m~*mM
■?^R3^!5Ffgwsg^5!!f|P!PBESHK^
M1SS1EN  VAN  DEN  OREGON.
55
N° I.
A.
M.
D.
G,
3len M. £. le Smet, örefceregter, te ©ent. (I)
S1 Francois-Xavier van Wallamette,
9 October 1844.
Welbeminde Broeder,
Het is na eenen zeetogt van byna acht maenden, dat
wy den 28 Juny de kusten van den Oregon ontdekten. O
wafsvreugde alsdan! Welke vervoeringen van blydschap!
Welke dankzeggingen in onze herten en op onze lippen!
Wy allen hieven ti gelyk den lofzang het Te Deum aen;
maer naeuwelyks hadden wy ons aen de eerste gevoelens
van geluk overgegeven, of het denkbeeld van nieuwe gevaren te moeten trotseren, kwam al onze ongerustheden
vernieuwen: wy naderden de Colombia. De monding dier
rivier is van eenen moeijelyken en gevaervollen toegang;
zelfs voor de zeelieden, die van goede landkaerten voorzien
(1) Men weet, dat Pater De Smet, vergezeld van vyf andere leden van de zelfde Sociëteit en van zes kloosterzusters der Congregatie van Notie-Dame, den 12 December 1843, de haven van Antwerpen verliet om zich naer de Rotsbergen te begeven. Het schip
VInfaHgable, waerop zy zich bevonden, kwam, na de Atlantische
zee doorgevaren, het zuidpunt van-net zuidelyke America voorby-
gezeild en de Stille zee opgevaren te hebben, den 28 july '1844 in
het gezigt der kusten van den Oregon, en den vyfden Augustus
daerop volgende liet men het anker by het fort Vancouver vallen,
gelegen op den boord der rivier Colombia.
I MISSiEN
zyn; en wy wisten dat onze kapitein, die zich dezelve op
geene wyze had kunnen bezorgen, de rotsen en blinde
klippen niet kende, die den ingang der rivier byna ondoor-
komelyk maken, in het jaergety, waerin wy waren.
Wy zagen welhaest de kaep Désappointement, die de
reizigers den weg, welken zy moeten volgen, schynt aen
te wyzen. Daer het reedslaet was, besloot de kapitein af
te wenden, om tydens den nacht de kusten te vermyden.
Terwyl het schip zich van het vaste land verwyderde, beschouwden wy van verre de hooge bergen en de uitgestrekte bosschen van den Oregon. Hier en daer zagen wy
den rook uit de hutten der wilden opstygen. Op dit gezigt
maekte eene menigte van gevoelens zich van onze ziel
meester; dezelve hier te verhalen, zou onmogelyk zyn.
Men zou in onze gesteltenis moeten geweest zyn, om te
begrypen, wat er alsdan in ons omging; ons hert klopte
van vreugd op het zien dier onmetèl|fce landen, waer zoo
vele zielen zich verlaten bevinden, die, by gebrek aen
missionnarissen in de duisternissen des ongeloofs, geboren
worden, in jaren vorderen en sterven; ongeluk waeraen
wy een einde kwamen stellen, zoo niet voor allen, ten
minste voor een groot getal.
Den 29 droegen al de Paters het H. Misoffer op; wy
wilden den hemel een laetste geweld aendoen. Het begin
van dien dag was treurig, onze geesten waren het ook;
tegen tien uren klaerde het weer zich op, en liet ons tèè"
met omzigtigheid die ruime en gevaervolle monding der
Colombia te naderen. Welhaest ontdekt men reusachtige
blinde klippen, een zeker teeken eener zandplaets, van vele
raylen groot. De klippen doorsnyden de rivier in geheel
hare breed te en ver toonen eene zandbank, die er den ingang
van schynt te verbieden. Waerlyk, dat gezigt vervulde ons
hert met schrik en ontsteltenis; men gevoelde, dat het
vruchteloos was den doorgang te beproeven en wy er on-
vermydelyk onzen ondergang vinden zouden. 114.1. iiiii
"^p>
WW!"
m -w jjwi . üPS^PRRHfff!!
W^J»
j&aBfeaü:
VAN  DEN  OREGON.
In die hagchelyke gesteltenis, wat gedaen, wat beginnen , waer gaen ?	
Den 50 zag de kapitein*-die zich op-het hoogste vanden
mast bevond, om eenige ontdekkingen te doen, een schip
langs de kaep zeilen, om uit de rivier te komen. Eenen
korten tyd zag men slechts hetzelve, want het ging het
anker achter eene rots werpen, om eenen gunf|igen wT
af te wachten. Wy meenden alsdan, dat de rivier nog be-
vaerbaer was en wy doopten ons op den loop van dat
schip te kunnen rigten.    ij|
Omtrent dry u$èn zond detokapitejp denjuitenant met
vier matroozen om de blinde klippen te pylen en eenen weg
te zoeken, om den Volgenden dag de rivier in te varen.
H# was denTi51 july, de feestdag van den H. Ignatius: die
gétókkige gelykvalling vernieuwde onze hoop en verlevendigde onzen moed. Wy verwachtten alles van de bescherming van onzen stichter, en baden hei$t met al de vurigheid w^érvoor wy vatbaer waren, van ons in dat uiterste
gevaer niet te verlaten. Nadat men diej^gt volbragt had,
spoedde men zich om op het dek te gaen en den boot ^an
den luitenant te ontdekken. Omtrent elf uren legde hy by
den Infatigable aen: het treurig en moedeloos gelaet der
matroozen verkondigde ons kwade tydingen ; men durfde
hen niet ondervragen... Nogjanszeide de luitenant aen den
kapitein, dat hy geen e beletsels gevonden had en te elf
ufüi. 'sèvonds de bank met vyf vademen (50 voeten) was
overgevaren. Alsdan oittvouwde men de zeilep-en.de Infatigable ging, onder de begunstiging van een ligt zee windje
vooruit. De lucht was helder en de zon schitterde in haren
vollen glans; sedert lang hadden wy geenen zoo schoonen
dag gehad.
Qm denzelven den schoonsten onzer reis te maken,
ontbrak er niets meer, dan de rivier gelukkig in te varen.
Naermate men naderde, verdubbelden allen hunne gebeden,
iedereen hield zich ingekeerd en bereid voor allen voor- W-MÜ"-W-Mi»*., ES
mmmm»
MISSIEN
val. Ondertusschen gebiedt de waekzame en kloekmoedige
kapitein het zinklood te laten vallen* Twee matroozen hechten zMh van buiten aen het schip en pylen; men hoort het
geroep: zeven vademen. Alle twee minuten wordt het
geroep herhaeld; dan zes vademen... dan vyf vademen...
het getal vermindert altyd. Men begrypt,hoe zeer elk geroep onze herten moest doen klompen. Maer wanneer men
riep, 5 vademen en twee vademen en eenèia halven, verdween alle hoop; want het was het minste water, dat het
schip noodig had. Men liet zich voorstaen, dat het schip
zich alle oogenblikken tegen de blinde klippen ging ver-
hryzelen.
De Heer wilde ons geloof beproeven; #y had ons verderf niet besloten. Het geroep vanhier vademen doet zich
hooren , men ademt ,%nen schept moed; maer het gevaer
was niet voorby. Wy moesten nog twee mylen tusschen de
blinde klippen varen. Een ander geroep van dry vadennen,
komt ons met schrik en angst vervallen. Alsdan zeide de
luitenant tot de kapitein : « Wy hebben ons in den weg
bedrogen. f — Kom kom! antwoordde d#kapitein, zietgij
niet, dat de Iufatigable over alles doorgaet? Voorwaerts....
De hemel was voor ons! zonder den zei ven, zou noch de
ervarenheid van den kapitein, noch de stekte van het
schip, noch d#neerstigheid van het scheepsvolk ons tegen
eenen zekeren ondergang behoed hebben. Wy waren meer
dan honderd meters van den goeden weg, te midden van
het zuidkanael, waerdoor nimmer een schip gevaren had.
Eenige oogenblikken daerna vernomen wy op eene stelMge
wyze, dat wy even als door mirakel het gevaer ontkomen
waren.
Inderdaed, ons schip had by den ingang der rivier
eerst eene goede rigting genomen: maer op weinig afstand
van haren mond, verdeelt de Gèlombia zich in twee armen,
die even als twee kanalen vormen; een ten noorden, niet
ver van de kaep Désappointement, is dat, hetwelk wy mim***^ii**ie^*i^^MS!l*
i
MISSIEN 57
moesten volgen; het andereten zuiden wordtniübevaren,
onÉde blinde kappen die er den ingang van sluiten ep
welke wy de eerste enwaerschynlyk delaetste overgevaren
zyn. Wy vernamen ook, dat de kapitein van het Fort
Astoria, die ons sedert twee dagen gezien had, zich met
eenige wilden naer het uiterste der kaep begeven, er groote
vuren gemaekt, een vaendel opgestoken en eenige geweerscheuten gelost had om ons naer dien kant te trekken. Wy
hadden, het is waer, zyne teekenen opgemerkt; maer || wm
niemand van ons had er de beweegreden van begrepen.
Zonder twyfel wilde God on#toonen, dat hy magtig genoeg is f^SÉt onfeaen het gevaer bloot te stellen en er qns
daerna gezond en behouden uit te trekken. Zyn heilige
naem zy gezegend! Eer ook den H. Ignatius, die op zynen
feestdag zoo zienelyk zyne kinderen beschermd heeft.
OÉferent half vyf kwam een boot naer ons toe; hy
was bemand met wilden van den sÉm ClatsopsB Aen Bun
hoofd hadden zy eenen Amerikaen, die zich op de kusten
had neergezet; hun geroep verbaesde grootelyks onze
Paters en We Zusters van Notre Dame. Wy kondel niet
onderscheiden dan het woord Calche, dat zy onophoudelyk
herhaelden. Men gaf hun teeken van te naderen en de
kapitein liet hun toe aen boord te komen. Terstond kwam
defmnierikaen by my en verklaerde my het gevaer, dat
wy geloopen hadden; hy voegt er by, dat hy ons te hulp
had wilèn komen, maer dat de wilden, om dat zy het
gevaer zagen, hetzelve niet hadden durven trotseren.
Van hunnen kant gaven de wilden ons door teekenen
te kennen, hoe groot hunne vrees geweest was; hoe zy
zich verwachtten van alle oogenblikken het schip omvergeworpen en verbryzeld te zien; zy hadden geweend,
hunne kleederen gescheurd, in de vaste verzekering, dat
wy, zonder de hulp van den Grooten Geest, nimmer het
gevaer zouden hebben kunnen ontkomen. In der daed,
die goede wilden hadden zich niet bedrogen. Het js het
WÊ 58
MISSIEN
gevoelen van al de genen , die de omstandigheden van
onzen doortogt kennen: zy houden niet op er ons geluk
over te wenschen als over iets dat eenig en wonderlyk  is.
Het tweede bezoek, dat wy aen boord ontvingen, was
dat van eenige Tchinouks, eenen stana, die zich in een
onmeetbaer bosch neergezet heeft, 'dat z$eh langs den
noordelyken boord der rivier uitstrekt. De Clatsops bezitten den zuidelyken boord en maken eene bevoHing van
ongeveer ISO persoonen uit. De Tchinouks bewoonen dry
groote dorpen voorby het bosch: die twee stammen, ofschoon naburen, zyn vyanden. De mannen wikkelen zich
in eene deken, om voor de blanken t#verschynen. Zy
stellen al hunne ydelheid in hunne hals en oorsieradeöf=
zy zouden alles geven wat zy bezitten, om ze te bekomen.
Die wilden zyn buiten mate op hun gemak; men moet
met hen zeer omzigtig omgaen om hunne al te groote ge-
meenzaemheid te voorkomen. Het is hun genoeg, dat men
he^jjöiet wegjage: zy zyn alsdan te vreden en1 vorderen
niet, dat men ziih met hen anders bezig houde; zy zyn
vreedzaem; zy vinden ligtelyk iets om aen hunne nood-
wendigheden te voldoen en leiden voor het nieestenieel
een lui en ledig leven; hunne eenigste bezigheid is visP
schenen jagen. De Indianen onderhouden de gewoonte
van het hoofdÏÏhunner kinderen plat te maken. De zalm
is overvloedig in hunne rivieren en het wild in hunne
bosschen. Na zich eiken dag voorzien te hebben van dat
^ene, wat zy noodig hebben, liggen zy geheele uren zonder zich te verroeren in de zon. Overigens leven zy in de
plompste onwetendheid van den godsdienst. (1)
'Sanderendags  morgens zagen   wy eenen  boot,   die
(1) De Tchinouks, de Clatsops en de Kilamukes, Indiaensche
stammen der kust van het Noord-Westen noemen hunnen grooten
God Ekannum en schryven hem de schepping aller dingen toe.
De God, die de rivier Colombia en hare visschen geschapen heeft,
noemen zy Etalapasse.
%% VAN   DEN  OREGON.
59
geweld deed om ons te bereiken; dezelve voerde M. Bur-
ney, denzelfden die de vorige dagen van het hoogste der
kaep zoo een levendig belang in ons lot gesteld had. Hy
kwam by ons met alle mogelyke goedwilligheid; het^;
aen heéi, dat het fort Astoria is toebetrquwd; hy woont
er met zy» huisgezin en was van wege zyne vrouw en kin-
ders gelast ons uit te noodigen ten zynen huize te komen,
ten einde hun het genoegen te bezorgen van ons te zien.
Overtuigd, dat dit bezoek, na een zoo lang verblyf op
zee, aen ieder van ons zeer aengenaem^zou zyn, stemden
wy in zyrfe uitnoodiging toe. Terwyl dat achtbaer huisge-
zien ons het middagmael bereidde, deden wy een klein
uitstapje in dennaburigenbosch. Wy bewonderden er-map»
teboomen van eene verbazende hoogte en zwaf-rte^Het is
niet zeldzaem er aen te treffen, die 200 voeten hoog zyj§&
op vier en een half in de middejtjyn. Men toonde onseenen
stam, die 42 voeten in den omtrekr^ad (1). Na eene om-
wandeling van twee uren, bragt M. Burney ons weder
naer het fort.
In eene andere onwané#ing bewonderden vele# onder ons de grafsteden der wild$g$f*ïlet h^chaem van den
overledenen wordt gelegd in eene soort van bootje, ge-
maekt uit eenen boomstam; men dekt het met matten of
huiden, daerna hangt men het aen eenen boom of men
plaetst het op den boord derfrivier. Wy zagen tot 12 der-
gelyke grafsteden te zamen op eene zelfde plaets; men
vindt ze doorgaens op plaetsen, die moeijelyk te naderen
zfm, zoo als eilanden of toppen der rotsen, om alzoo meer
van de wilde dieren bevreid te zyn. Niet ver van die be-
graefplaets zag een onzer Paters, die wat nieuwsgieriger
was dan de anderen, ter zyde den muil van eenen beer,
die er niet gedwee uitzag, en deinsde, bevangen door eenen lustigen schrik, met spoed terug.
(1) De zelfde boom, waervan Balbi in zyn aerderyksbeschry-
ving gewag maekt.
ii 60
MISSIEN
Dén 2 Augustus besloot ik myne reisgezellen naer hejfe
fort Vancouver voor te gaen, om M. Blanchet van onze gelukkige aenkomst te verwittigen. Zie hier het overige wat
de reis onzer eftaters betreft: den 5 en 4 werd het schip
door gebrek aen wind vertraegd; met eenen oogslag kon
men den weg zien, welke men in dry dagen had afgelegd.
Tegen d£n avond stak er een ligt zeewindje op, en liet toe
den weg te vervolgen. Na eenige uren was men voorby de
klippen, die zich zesimylen of twee uren uitstrekken.
Zoohaestmen dien afstand eens afgelegd heeft, ka© men gedurig het'midden der rivier houden, men vindt er altoos
eene genoegzame hoeveelheid water; maer hare talryke
bochten vordeten een gedurig scheepswerk.
Hier levert de rivier het schoonste gezigt :^)p; eene oppervlakte zoo effen als een kristal, eene stroom, die zigt-
baerlyk door de vernaeuwing des beds eniÉder rotsen onderschept wrordt, het dof gebruis van eenige kleine watervallen op de beide boorden; niets is verscheiden der en
aengenamer dan de Colombia. Men kan zich niet verzadigen den rykdom, de verscheidenheid en de schoonheid
der landgezigten te bewonderen, welke de natuer in die
eenzame landstreken oplevert; nimmer geschondene bos-
schen zoomen de beide boorden in byna geheel hare lengte ; dezelve worden door bergen, ook met hout bewassen,
omringd. Wanneer men de Colombia opvaert, treft men
hier en daer nog al aenzienlyke baeijen aen, in welker
midden fraeije eilandekens zich verheffen, die, als gezaeid
tusschen de baren, overdekt van bloemen en een aenge-
naem groen, den verrukkendsten oogslag opleveren; het
is hier dat de schilders hunne kunst zouden moeten komen bestudeeren: zy zouden hier de schilderachtigste en
fraeyste gezigten vinden: dit land levert eenen overvloed
van de verscheidenste kleuren en bekoorlykste landgezigten op. Hoe verder men doordringt hoe grootscher en
trotscher de larfdgezigten  zyn. EindelykiJkwam den 5
■—Uil» nil ll
'iÊmtmm ■ I ...  IMWIJ.
jüi umi   —' • l.    i u*nn
VAN   DEN  OREGON. 61
Augustus het schip by het fort Vancouver omtrent ten zeven uren 's avonds aen. M. de gouverneur, een man, vol
godsdienst, bevond zich vergezeld van zyne echtgenootc
en de aenzienlykste persoonen op het strand om ons te ontvangen. Wy lieten het anker vallen; wy begaven ons terstond naer het fort, waerwy met alle mogeiyke gulhertig-
heid en beleefdheid ontvangen werden.
Na eene afwachting van acht dagen, kwam M. Blanchet
den #2. Hy had den brief niet ontvangen, c%n ik hem
geschreven had; maer zoohaesthy de ty ding vant onze aenkomst vernomen had, spoedde hy zich, vergezeld van een
groot getal zyner parochianen, ons te komen verwilkomen.
Hy had eenen geheelen dag en nacht gereisd, zonder zich
stil te houden. Zyne tegenwoordigheid vervulde ons allen
met blydschap. Ofschoon wy zeer wel in het fort waren,
wenschten wy nogtansf-zoo spoedig mogelyk, op de plaets
aen te komen, welke de goddelyke Voorzienigheid voor
ons bestemd had; de Zusters haekten van haren kant naer
het nieuw klooster van Wallamette. Gevolgenlyk deed M.
Blanchet alles voor onze reis gereed makenden den 14 verlieten wy het Fort ^Vancouver.
Een vry gevoelige vaerwel bleef ons aen den kapitein
van ons schip over; hy wachtte ons op den ft>oord der
rivier. De ontroering was wederzyds levendig: wanneer
men gedurende aétït maenden in de zelfde gevaren gedeeld
en zoo menigmael de dood van naby gezien heeft, scheidt
men niet van elkander zonder te weenen.
Onze kleine vloot bestond uit vier booten, waerin M.
Blanchet en zyne parochianen zich bevonden en uit onze
schuit; wy voeren d# rivier op e&fkwamen%elhaest in dè
rivier Wallamette, die zich in de Colombia uitstort.
Tegen het vallen van èen nacht maekten wy onze
booten vast en gingen op het strand legeren. Daer veree-
nigden wy ons vrolyk rondom het vuer aen de schilderachtige table d'hóte; daerna begaven wy ons ter rust; maer
II
il 62
MISSIEN
de maringouinen ofmoskieten, eenesoort van amerikaensche
mug, kwamen met duizendeonzen slaep onderbreken; de
Zusters, aen welke men de tent had afgestaen, werden
nM$ meer gespaerd dan degenen, die onder den blauwen
hemel sliepen. Zonder moeite begrypt gy, dat de nacht
ontleen weinig lang voorkwam; ook waren wy by het aen-
brekenBvan den dag te been. Ik hielp de Zusters eenen
kleinen altaer oprigten. Het was de vyftiende Augustus, de
feestdag der Hemelvaert van Maria, die nogtans in den
Oregon maer<4en volgenden Zondag gevierd wordt. M.
Blanchet droeg het H. Misoffer op, waeronder ai de anderen tot de H. Tafel naderden.
Eindelyk den 17 ten elf uren ontdekte men de geliefde
missie van Wallamette. Mynheer Blanchet nam de zorg
op zich van ons reisgoed te doen overbrengen; de Zusters
werden op eeöfe kar overgevoerd naer hare jepooning, die
omtrent dry mylen van de rivier afligt; ten twee uren
waren wy allen vereenigd en neergeknield in de kerk van
WVdlameUe* om er den goddelpken Zaligmaker door een
plegtig Te Deum, die met eene levendige ontroering gezongen werd, te aenbidden en te bedanken.
'S Zondags den 18, alhier de feestdag der hemelopneming vanMaria, zagen wy van 's morgens ten acht uren
de Canadianen met hunne vrouwen en kinderen in me-
nigtette peerd aengekomen, om de plegtige diensten by te
wéïlnen. Ten 9 uren drong de menigte met eene volmaekte
orde in de kerk: de mannen plaetsten zich aen den eenen
en de vrouwen aen den anderen kant. 20 koorkinderen
sehaerden zieli rondom het altaer; M. Blanchjet droeg het
Misoffer op. Wat zyne parochianen betreft, zy sticjhtten
ons grootelyks door hunne godsvrucht.
By onze aenkomst in de: Missie van Sl Paul van de Wal-
lamefte onthaelde ons M» Blanchet met eene ware vader-
lyke toegenegenheid en gulhertigheid; hy s^lde al
wat hy bezat ter onzer beschikking. Zyne eerstejzprg was, -mm
VAN  DEN  OREGON.
65
eene welgelegene en gunstige plaets te gaen zoeken, waer
wy, overeenkomstig de oogmerken en het ontwerp van
onzen zeer Eerw. Pater Generael, eene Moedermissie zouden kunnen stichten. Gevolgenlykdeed ik metM. Blanchet
verscheidene omwandelingen, die geenen goeden uitslag
hadden; want de plaetsen waren reeds bezet en menige
andere beletselen deden zich op. De Methodisten boden
my hunne Academie te koop aen. Het is een zeer groot en
schoon gebouw; maer in deszelfs omtrek is er noch hout
noch bebouwbaer land. Ik was in eene groote radeloosheid, wanneer M. Blanchet my voorstelde de landen, die
aen de Missie behoorden, te onderzoeken en my met eene
wonderlyke belangloosheid aenbood , van de streek ,
welke ik voor de ontworpene inrigting noodig zou oor-
deeien, uit te kiezen. Ik onderzocht den grond en naeu-
welyks hadden wy twee mylen afgelegd, of wy kwamen
iaën eene ligging, die aen onze oogen eene menigte van
schoonheden en voordeden vertoonde en tevens het
nuttige met het aengename en zelfs het grootsche veree-
nigde. Dat men zich aen de zuidzyde eene oneindige
vlakte verbeelde, van waer men de witte toppen der dry
grootste bergen der Cascades: de bergen Hood, Sl Helene en Jefferson of Molélis, ziet; aen de oostzyde ont*-
waert me^verschieten, welker mengelingen van kleuren
zich met het azuer des hemels mengelen; ten westen wordt
het oog verrukt door de glinsterende en klare wateren
van tweeschoonekleine meeren, waerin, terwyl wy dezelve
van boven van het strand beschouwden, de castör, de otr
ter en de gemuskeerde rat zwommen en speelden. Een
dier kleine meeren bevond zich aen den voet van het strand
tegenover eenen amphitheater, die zachtjes omhoog klimt
van op den grond waer wy stonden en welke ik uitkoos
om er het huis van Sl Francois-Xavier in te rigten.
De zoete herinnering van onze eerste inrigtingen^dn
den Missouri kwam my in de gedachte. I£ hoop, dat, naer
.JP
3
-
ft mm
64
MISSIEN
het voorbeeld van het huis van S*. Stanislas naby S* Ferdinand, dat zich over een groot gedeelte van den Missouri
uitgestrekt heeft, ook eens hier, in den Ohio,in deLouisiane
in de Rotsbergen tot aen de uiterste pale$|jvan westelyk
Amerika, eene kweekschoóji ingerigt zal worden van
yverige missionnarissen, die zich in 't toekomende (ach of
de tyd niet ver verwyderd ware) onder de verschijyijjde
stammen van dit zeer uitgestrekt grondgebied spreiden
zullen, om er den fakkelfdesgeloofs te dragen.
Onder onze oogen vormt de schoj|ne rivier Wallamette
eenen oneindigen bogt, bezoomd met een trotsch bosch, dat
in overvloed hout van verschillende soort voojr de benoo-
digingen der inrigting verschaffen zal. — Nergens heb ik
in ditlandin grooteren overvloed en heerlykere Pin-, Mast-,
Ypen-, Essen-, Eeken-boomen gezien. — Tusschen het bosch
$n de hoogte liggen digte boschjes en lagchende wTeilanden.
De aerde is er vruchtbaer, geschikt voor alle soorten van
voortbrengselen en bekwaem iom eene groote landhoeve te
onderhouden. Voeg by al die voordeden, eene ry van ;j$n-
teinen omtrent het midden van het strand; eene derzelver
is slechts honderd passen van huis gelegen, dezelve zal
later van veel dienst kunnen zyn. Zoohaest het besluit eenjf
genomen was, vertoefde men niet de hand aen het werk
te slaen. Men begon de plaets op te ruimen, het kreupelhout
en de verspreide boomen om te kappen, en welhaest rigtten
wy er, met de hulp van vele bewooners dry gebouwen in
höèt op, onder een enkel dak, van 90 voeten lengte. Zy
moesten dienen tot werkhuizen voor den broeder timmerman, smid en schrynwerker. Ook is men bezig met een
gebouw van twee verdiepingen, ter lengte?$an 45 voeten
op 55 breedte en het is reeds ver gevorderd; dit zal het
veriMyf der Missionnarissen zyn.
£ene ziekte, die besmettend scheen (de bloedvloe;<|),
maer welke de geneesheeren aen de ongezonde wateren
deïurivicren toeschreven, Jjeerschte by onze aenkonpt in PMI
m*uwiaiiHs
*pm
VAN  DEN  OREGON.
(•4? ■
m
den Oregon. Een groot getal wilden, vooial onder, de
Tchinouks en de Indianen der Cascades stierven er. Het
was deernisweerdig hen in hunne kleine legerplaetsen,
byna zonder beschutting, op het zand uitgestrekt en stervende langs den boord der rivier te zien liggen. Zy poogden
het fort Vancouver te bereiken, om er door den geneesheer
bygestaen te worden. De meeste onzer matroozen werden
door de ziekte aengetast; vooral baerde de staet van den
kapitein my de levendigste ongerustheid; ik vreesde groote-
lyks, dat hy zou bezwyken en zyn geliefd huisgezin, zyne
vrouw en zyne beminde kinderen niet zou kunnen wederzien, van welke hy zyn behagen nam my dagelyks te
spreken. Hy was eene deftige en ervaren zeeman, ik achtte
en beminde hem opregt. Dry der zusters werden ook door
de landziekte aengerand; de Pater Accolti en ik, wy vertoefden ook niet er de schrikkelyke uitwerkselen van te
gevoelen. Gedurende veertien lange dagen moest ik het
bed houden en my naer den strengsten levensregel schikken. Het gelukte ons allen er aen te ontkomen.
De winter naderde met rassche schreden en schoon ik
naeuwelyks van myne ziekte opstond, konde ik niet weder-
staen aen de noodzakelykheid en tevens aen het dringende
verlangen, het welke ik gevoelde, van niyne beminde wilden der Bergen te bezoeken, die ook met ongeduld myne
wederkomst verwachtten; het was de tyding, welke de
Pater Mengarini, hunne missionnaris, die my te gemoed
was gekomen, my ervan had overgebragt.
Heden den 9 October heb ik het geluk my naer de Rotsbergen op reis te begeven.
Ik ben, enz. P. J. De Smet. S. J.
Bylage Van den 9 September, raiddelerwyl haer huis bewoon-
baer zou zyn, begonnen de zusters de vrouwen en de kinderen, die
zich tot de eerste communie bereidden, onder blaeuwen hemel te
onderwyzen. Den 12 hadden zy reeds 19 onderwyzelingen van 16
tot QO jaren. Al die personen komen van zeer ver, brengen hunne
spyzen voor verscheide dagen mede, en slapen in het bosch, blootgesteld aen al de guerheden der lucht. Men kan zich geen denk-
V.   M. 5
«Ii ^^
- /&
il
MISSIEN
beeld vormen, hoe hongerig die arme wilden naer het onderwys
zyn ; men besteedt zelfs zes uren daegs om hen het teeken des kruis
en andere gewoone gebeden te leeren. Eens vernam men , dat
eene vrouw sedert twee dagen niet geëeten had; de honden hadden
haren kleinen voorraed verslonden en zy had naer huis niet willen
wederkeeren, om het onderwys der christelyke leering niet te verliezen.
Men zou niet kunnen gelooven, hoe zeer de zusters er bemind
en geacht worden en welke bewyzen vvan erkentenis zy van die
arme Indianen ontvangen; de eenen brengen haer meloenen, de
andere aerdappelen, boter, eijeren-, enz.
Dewyl den 24ste het klooster nog zonder deuren en vensters
was, om de schaersheid aen werklieden, ziet men die goede Zusters, de eene schaven, de andere glazen ruiten inzetten, eene derde
de deuren en vensters verwen. Dat haer zoo vurig naer hunne
nieuwe wooning doet verlangen, is , dat men haer reeds 30 Canadi-
aensche pensionnaren voorgesteld heeft, die haer de middelen verschaffen zullen, om kleine weesdochterkens, die verlaten zyn, koste-
looste voeden. "Wanneer die kleine kinderen van de Zusters opge^
nomen^zyn, zullen zy dezelve zoo naer ziel als naer ligchaem kunnen
bezorgen; maer om dit ontwerp uitte voeren, dat zoo goede uitslagen belooft, zou er eenigen onderstand noodig zyn om die arme
kinderen te kleeden. De opbrengst van het pensionnaet kan slechts
in de mondbehoefte voorzien. Zie hier er den luisterrykenprospec*-
tus van:
Alle dry maenden 100 pond meel; 25 ponden spek , of 56 ponden ossenvleesch , 4 ponden verkens vet, een zak aerdappelen , 5
galons erten, 5 dozyn eijeren, 1 galon zout, 4 ponden keersen, 1
pond the, 4 ponnen ryst.
In de maend october hebben de Zusters haer klooster betrokken ;
M. Blanchet kwam kort daerna met alle mogelyke plegtigheid de
k.apel zegenen. Van dien tyd af hebben zy het geluk van dagelyks
in het H. Misoffer tegenwoordig te zyn , hetwelk een der pater
Missionnarissen van het huis S1 Francois Xavier er komt opdragen.
Van de eerste dagen harer inleiding, hebben?zy ook de zoete vertroosting gehad, van 30 vrouwen, welke zy onderwezen en voorbereid hadden, hare eerste Communie te zien doen. Zoo schoone
vruchten en die op zoo weinig tyd vergaderd wa^en, deden het
ontwerp beramen, om een tweede huis by de stad Oregon op te
rigten. De omstandigheden zyn zeer gunstig voor die nieuwe inrigting derklooster-zusters. Ongelukkiglyk zou S* Marie van Wallamette alleen werk genoeg verschaffen om twaelf Zusters bezig te
houden en zy zyn slechts zes in getal!
Wy vernemen met genoegen, dat M. Blanchet besloten beeft
zich naer Europa te begeven om er gewyd te worden en dat hy
nieuwe poogingén^zal doen om nog twaelf andere zusters te bekomen. Geve de hemel, dat hy hierin gèlukke en het gebrek aen
geldmiddelen geen onoverwinnelyk beletsel stelle aen de groote
opoffering, welke de godvruhtige vergadering der Zuiders van Notre-
Dame zich ook dit maelmet dezelfde edelmoedigheid zou opleggen ! BBS*
mmsmm
pü**!
VAN  DEN OREGON.
N° II.
A.
M.
D.
G.
3len Jttor* i)Uü,I)*0, üShwljop »an tiUtJ^ork.
Aen den voet van den Grooten Glaciere, eene
der bronnen van de rivier Athabasca.
Monseigneur ;
Ik heb myne beloften niet vergeten en zal steeds met
genoegen my aen de groote verpligtingen herinneren,
welke ik met Uwe Hoogweerdigheid aengegaen heb in die
dagen, waerop ik het geluk had van in uw gezelschap te
reizen. Heden zend ik Uwe Hoogw. twaelf brieven der
Rotsbergen toe; dezelve bevatten het verhael myner om-
rèizen des laetsten jaers en der bezoeken, welke ik by de
verschillende volksstammen afgelegd heb; ik onderhoud u
over al wat ik gezien en gehoord heb en overal wat my in
myne lange omreis te midden onzer eenzame bergen over-
koineii,is. Ik hoop, dat myne brieven, hoe eenvoudig ook,
u zullen vertroosten door de tydingen, welke zy u niede-
deelen, betrekkelyk den voortgang van onzen heiligen
Godsdienst, te midden der verstrooide volksstammen van
den Oregon en onder die eenzame stammen, die de bos-
schen, de meeren en de rivieren van den grooten stroom
van het Noorden, de Athabasca, doorkruisen. Vier Prie^
ters van het bisdom der Rivière Rouge zullen welhaest de
heilige bediening in de afgrysselykste landstreken des
m:
'Sér'fr
%t e
SSi-ii, •Jf . .U.JUÜLLJJ
68
MISSIEN
f ft
grondgebieds van de Hudson-Baie uitoefenen. Hoe troosteloos is het, dat de groote wildernis van het westen, die
zich van de Vereenigde-Staten tot de oostersche palen der
Berg-rotsen uitstrekt en van daer doordringt tot aen de
grenzen van den Mexico, eene landstreek is, die schier
geheel van geestelyken bystand beroofd is! Ach! welke
schoone wyngaerd! welke uitgestrekte akker vertoont
zich aen deny ver van dencatholyken Missionnaris! Volgens
myne eigene waernemingen en van al onze Paters, die
deze wildernis doorkruisd hebben, durf ik verzekeren,
dat de arbeid er met den besten uitslag bekroond zou
worden. Men strykt in 't algemeen een kwaed oordeel
over de Indianen en zy zyn weinig in de beschaefde wereld
gekend; men vormt zyn denkbeeld op het geen men van
hen in onze steden en er de grenzen ziet, waer « het water
van vuer,» de ongelukkige drank en de laegste ondeugden
der beschaving hun de grootste onheilen bezorgd hebben.
Naermate men in de wildernissen dringt, vindt men de
inboorlingen beter gesteld; zy aenhooren met vermaek de
onderwyzingen en ontvangen met geestdrift en gretigheid
de gelukkige en goede tyding der zaligheid.
Een Bisschop, die met twee of dry Priesters de verschillende volksstammen dier uitgestrekte wildernis zou bezoeken en eenige wreken onder hen verblyven, om hen te
onderwyzen, zou er de gelukkigste en vertroostendste
vruchten van vergaderen; de wreede oorlogen zouden ver-
dwynen en de moord- en, dood-kreten, die er zoo vele
eeuwen weergalmd hebben, zouden door de vreugde- en
lofzangen van den Allerhoogste vervangen worden. Het
denkbeeld van de omzwervende stammen die de vlakten
van het westen doorloopen, in duerzame dorpen te vereenigen, zou volgens myn oordeel eene onmogelykezaek zyn,
of ten minste veel tyd vorderen. Men zou van de wilden
goede christenen kunnen vormen en hen echter toelaten
een jagersleven te leiden, zoo lang er op hunne lande»
M>. - ^ ....J^-—'. ■■-■   ito ,, , VAN DEN OREGON.
69
een overvloed van buffels, herten, reebokken en geiten
gevonden worden.
Het groot belang, hetwelk ik in die arme stammen stel
en de verzekering, welke ik heb, dat zy in den persoon
van uwe Hoogweerdighcid eenen magtigen beschermer
en eenen opregten vriend bezitten, pramen my om de
tusschenkomst van uw vaderlyk hert ten hunnen voordeel e
in te roepen, opdat men spoedig in de pramende noodwen-
digheden van dat kerkelyke regtsgebied der Vereenigde-
Staten zou voorzien.
De blanken zyn van zorgen, van middelen van zaligheid
omringd en men telt er duizende van hen, die er geen
voordeel mede doen en zich van den goeden weg verwy-
deren; de zoo genoemde Peaux Rouges hebben ook zielen
om zalig te maken, zielen vrygekocht door het dierbare
bloed des Zaligmakers, en die kinderen, verlaten in de
wildernis, smeeken by duizende om den weidoenden bystand
van den Godsdienst.
Ik ben, enz.
P. J. De Smet. S. J.
I
BT5SF   '"iMm T
70
MISSIEN
N° III.
I
A.
M.
D.
G
S. Brancois-Xévier van de Wallamette 7
den 20 Junyl845.
Monseigneur ;
In het begin van February, heb ik my op reis begeven
on#tmze verschillende inrigtingen en standplaetsen $é bezoeken en er andere onder de naburige stammen onzer
reductie te openen. Vier of vyf voeten sneeuw overdekte
alsdan geheel de oppervlakte des lands; en ik vond my
verpligt met een bootje van schors van de Baey der Pends-
d'rOeilles tot aen de Prairie des Chevaux ongeveer 250
mylen te doen.
In den Paeschtyd was ik by myne geliefde Têtes-Plates
en Kalispels der Bergen; het was voor my eene groote vertroosting van hen, vol yver en vurigheid aen te treffen,
in de vervulling van al de pligten der ware kinderen des
gebeds. Op den grooten feestdag van Paeschen, naderden
al de Têtes-Plates, die zich te Ste Marie bevonden, onder
myne Mis godvruchtiglyk de heilige tafel, en omtrent dry
honderd Kalispels, het meesten deel meerderjarigen der
standplaets van S* Francois de Borgia, kwamen zich by de
doopvond aenbieden. Vyf oversten werden er onder hen
gevonden; de dry voornaemste zyn: Stiettiedlóodscho of de
Overste der dapperen; Selpisto, de Groot-overste, en
Chalax, dat is te zeggen, het witte kleed, bygenaemd de
kwakzalver of de groote geneesmeester. (De geneeskunst
beteekent hier hetzelfde als kwakzalvery.)
. ■■«.■■ ..mi.
VAN   DEN  OREGON.
Hoe zoet is het het heilig water des Doopsels over de gerimpelde en doorkerfde voorhoofden dier oorlogshelden van
de wildernis uit te storten! Hoe vertroostend die kinderen
der vlakten en bosschen het stof waermede zy sedert zoo
lang overdekt waren, te zien afschudden, die diepe onwetendheid, die ongerymde bygeloovigheden, het droevig
erfdeel, hetwelk hunne voorouders hen nagelaten hadden
na het gedurende zoo vele eeuwen overgezet te hebben!
Hoe schoon hen het geloof en zyne heilige oefeningen te
zien omhelzen, met eenen geestdrift en yver, die van de
eerste dagen des christendoms weerdig zyn!
U hier de geschiedenis dier dry oversten beschryven,
zou de palen vanmyn oogmerk te buiten gaen. Dat het my
genoeg zy te zeggen, dat die Helden der Rotsbergen sedert
jaren den schrik hunner vyanden zyn geweest. Chalax had
eenen grooten roem als guichelaer verworven en dikwyls
had hy de toekomst voorzegd; indien men de Kalispels en
de Blanken moet gelooven, die in zyne legerplaets gereisd
hebben, zyn zyne voorzeggingen altoos be waerheid. Hy
duidde den dag, de plaets en het getal der Pieds-Noirs
aen, die de legerplaets kwamen aenranden. Wanneer ik
hem betrekkelyk die zaek ondervraegde, zeide hy my met
veel openhertigheid en eenvoudigheid: « Men noemt my
den man der Medecyn, nogtans heb ik nooit de huichelary
noch de bedriegelyke oefening der huichelaers bemind; ik
ontvang al myn vermogen uit het gebed. Wanneer ik my
in gevaerlyke landen bevind, wend ik my tot den Meester
des levens; ik offer hem myn hert en myne ziel en smeek
hem van met ons deernis te hebben en ons tegen onze
vyanden te beschermen. )iVanneer eene stem my reeds
van het nakende gevaer onderrigt had, bevool ik de om-
zigtigheid en de waekzaemheid in de legerplaets; want
die stem heeft my nooit bedrogen. Heden heb ik u eene
gunst te verzoeken: de geheimzinnige stem noemt my by
mynen naem Chalax, en ik verlang, met uwen oorlof, dien
jfifSgëgp MISSIEN
naem tot de dood toe te dragen.» Ik stemde daerin geerne
toe en verkiaerde hem de schoone plegtigheid van het
witte kleed, dathy in het H. Sacrament des'Doopsels ging
ontvangen. By den schoonen naem van Chalax voegde ik dien
van den Prins der Apostelen. Hy is die zelfde Overste, die
by myn eerste bezoek aen de Rotsbergen (bezoek, waer-
van ik u reeds elders gesproken heb,) alleenlyk door zestig mannen ondersteund, herhaelde stryden vyf op elkander volgende dagen had doorgestaen tegen 200Pieds-Noirs.
Deze werden op de vlugt gedreven en lieten op het slagveld 80 dooden, terwyl een enkel krygsman onder de
Têtes-Plates eene doodelyke wond ontving, waervan hy
na dry maenden, daegs na zyn Doopsel, stierf.
Ik verliet met hertzeer die goede Indianen en myne
beminde medebroeders in Jesus-Christus, de Paters Men-
garini en Zerbinati; als ook de vier broeders medehelpers , die met eenen onyermoeiden yver in dat deel van
den wyngaerd des Heeren arbeiden.
Dewyl de sneeuw begon te verdwynen, verwachtten de
Kalispels der Baei myne wederkomst. Ik begaf my op
nieuw in myn broos vaertuigje, bestierd door twee Indianen en spoedde my de Rivier a Clark af te varen. Oordeel
over haren snellen stroom: ik had zestien dagen besteed
om dezelve op te varen, vier waren genoeg om weder te
keeren. By myne aenkomst aen de Baei met den Pater
Adriaen Hoeken en vele Oversten, beyverde ik my den
grond van dat deel van den stam der Kalispels te onderzoeken, om eene geschikte plaets uit te kiezen voor de
inrigting der nieuwe reductie van S* Ignace. Weilanden
van eenen ryken en vruchtbaren grond, die zich meer dan
een uer uitstrekken en van ceder- en pynboomen omringd
zyn; de nabyheid der spelonk der Nieuwe Manrèse met
hare schoone steengroeven; eene aeneenschakeling van
weiden en een waterval van meer dan twee honderd voeten, vry geschikt tot het oprigten van verscheidene molens, VAN  DEN  OREGON.
75
schenen geheel met voordacht vereenigd te zyn. Ik velde
de eerste boomen en, na alle noodige maetregelen te hebben genomen, om den arbeid te bespoedigen, vertrok ik
naer Walla-Walla, waer ik my met een bootje op de rivier
Colombia begaf, om dezelve tot aen het fort Vancouver
af te varen. De rivier was merkelyk door het smelten
van den sneeuw gezwollen en onze vaerd was snel. Men
wees my de plaets aen, waer eenige maenden te voren
vier reizigers der Vereenigde-Staten ellendig vergaen waren, als slagtoffers van hunne onvoorzigtigheid en vermetelheid. Men had hen geraden eenen leidsman te nemen,
maer zy antwoordden « geenen noodig te hebben. » « Hfet
toe, zeide men hun, de rivier is gevaerlyk en bedrieglyk...»
De stuerman, een groote zwetser, antwoordde met een'
schimpenden grimlach: « Ik ben bekwaem om myn schip
zelfs door de helscheafgronden te stieren. » Men wenscbte-
hun eene goede reis, maer men was niet zonder ongerust*-
heid; die stuerman, zeide men tot elkander, is geen In-
diaen des lands: het is geen Iroquois, zelfs geen Cana-
diaen! De rivier ontving die vermetele reizigers. Zy staken in het diep; de boot slibberde met de snelheid van
eenen schicht, achter zich latende eenen langen reeks van
schuim, door de herhaelde slagen der riemen.... De eerste
snelstroom vertoont zich: zy varen denzelven zonder vrees
in; helaes! het is voor altoos! Plotseling tegengehouden doof
eenen maelstroom, doen zy magtelooze poogingen om denzelven te ontwyken: de afgrond wordt voor hen geopend;
vruchteloos worstelen zy om den dreigenden draeikolk te
ontkomen, die hen als zynen prooi eischt. Alles is verloren;
zie hen geworpen op de boorden van den draeikolk: zy
slingeren er eenige oogenblikken met het riet en strooi
rond; de voorsteven gaet naer onder en een wanhopend
geroep, dat het gebruis der baren nog treuriger maekt,
komt uit den afgrond, galmt in de verte weder en verkondigt het nieuwe onheil der Colombia aen. Terstond
I
21
">MWWpW«*a;iqffaiW*y, mm*
MISSIEN
sluit zich de afgrond, .zonder eenig spoor zyner ongelukkige slagtoffèist achter? te laten. Schrikkelyke les voor de
genen, die zich in 't toekomende zonder leidsman op die
schroonifelyke rivier van het westen zouden willen wagen.
Na eene gelukkige scheepvaert van vyf dagen, ont-
scheepten wy teWancouver, waer ik het geluk had van
flén Pater Nobili aen te treffen, die gedurende acht maen-
den, terwyl hy zich op de landtalen toelegde, met groote
vrucht de heilige bediening uitgeoefend had onder de catholyke huerlingen van het fort en de Indianen van den
omtrek. Eene doodelyke ziekte had meer dan het tiende
deel der laetsten weggerukt, maer allen hadden het geluk
gehad vanS&et doopsel te ontvangen, alvorens te sterven.
Wy boeren te zamen met eenen boot der Tchinouks de
schoone rivier van den Multonomak of Wallamette op tot
aen het dorpeer Champois, eenuer van onze wooning van
S* Francois Xavier. Al de Paters waren ons ter ontmoeting
gekomen en bevonden zich by onze ontscheping; de
vreugde van elkander na een afwezen van eenen langen
winter vereenigd te zien, was vry groot. De Italiaensche
Paters hadden zich byzonder op de talen toegelegd. De
Pater Ravalli bewees, door zyne kennis in de geneeskunst,
in de uitoefening der heilige bediening groote diensten aen
al de inwoonders der missie van Sfc Paul, want elke wooning
had vele zieken. De Pater Vercruysse had, op verzoek van
Mgr Blanchet eene nieuwe missie onder de Canadianen
begonnen, die van S* Paul verwyderd waren, en het was
hem gelukt hen te doen by dragen tot de oprigting eener
nieuwe kerk, op eene plaets die in het midden en niet ver
van hunne wooningen gelegen was. De Pater De Vos, de
eenige onzer Paters van den Wallamette, die het Engelsen spreekt, besteedt al zyne zorgen aen de Amerikanen, die reeds meer dan vier duizend zyn. Er zyn
onder hen verscheidene catholyke huisgezinnen en andere,
die bereid zyn om het geloof te omhelzen.
fe^-l v -W -. .1..
■ IJl—II..
VAN  DEN  OREGON.
75
Wanneer men in dit oogenblik den Oregon beschouwt,
zou niemand aen den grooten voortgang kunnen twyfe-
len, welken oÉèe heilige Godsdienst er doet en aen dien#
welke er voor het toekomende bereid wordt. M. Demers ,
de Groot-Vicarius en Administrateur van het bisdom, doet
tydens het afwezen van den Aertbisschop, al de bouw-
stoffölr voor eene hoofdkerk in steen gereed maken. Hy
doet eene schoone kerk by de chute van de Wallamette
bouwen, eene plaets, welke men uitgekozen leeft voor de
eerste stad van den Oregon, die slechts dry jaren dagtee-
kent en waer men reeds meer dan honderd huizen ttèlt.
Verscheidene gronden zyfir er aengewezen door den achtbaren Heer Mac Laughlin, Gouverneur der Baei d'Hudson,
ten westen der Rotsbergen, tot het gebruik van een klooster en van twee scholen. In het fort Vancouver is rifen
met deopbouwing eener catholyke kerk bezig. Het klooster der Zusters van Notre-Dame is vry ver gevorderd en
zal zonder tegenspraek het schoonste gebouw van den
Wallamette zyn. Men voegt er eene kerk by, lang omtrent
tachtig voeten en van eene geëvenredigde breedte Onder
de aenroeping van de H. Maegd. Die kloosterzusters hébben
reeds vyftig pensionnaren. Het klein collegie van S* Joseph,
onder het toezigt van M. Bolduc, slagt wel en neemt toe;
veertig jonge lieden, voor het meestendeel Metis, ontvangen er een wel geschikt en christelyk onderwys. Eene
kerk in hout is sedert vele jaren te Cowlitz gebouwd en
men bereidfrer de bouwstoffen voor de stichting eens
kloosters, onder het bestier van M. Langlois. Ons verblyf
van S* Francois-Xavier is voltrokken; het zal later kunnen dienen tot noviciaet en seminarie voor jonge missionnafe
rissen, om er zich voor den apostelyken arbeid te bereiden. Ik hoop dat dit jaer, (en de maetregelen zyn tot dat
einde reeds genomen,) onze Paters van den Wallamette
verscheidene volksstammen bezoekenÉullefc, die de kusten der stille zee bewoonen, ten noorden en ten zuiden der 76
MISSIEN
**
»
»
»
)>
»
»
Colombia, waer de bezoeken van Monseigneur en zyn'
Groot-Vicartus reeds de gelukkigste uitslagen gehad hebben. Den 17 February 1842 schreef Mgr Blanchet aen den
Bisschop van Quebec: « God heeft zich geweerdigd
>» onzen arbeid te zegenen en aen het brood en het woord
des levens wasdom gegeven. De aenbiddelyke naem van
Jesus is aen nieuwe volksstammen naer het noorden verkondigd . Mgr Demers is doorgedrongen tot aen het fort
Langley, op de rivier Fraser en heeft het doopsel aen
meer dan 700 kinderea toegediend, van welke reeds
velen de vrucht der genade genieten, die dezelve herboren heeft, h
In myne voorgaende brieven heb ik u de byzonderhe-
den onzer Missien medegedeeld: ik heb u gesproken van
twee volkstammen, de Têtes-Plates en de Coeurs-d'Alènes;
van de eerste communie dier laetste en van een groot aen-
tal bekeeringen onder de Kalispels der Baei op den feestdag van Kersmis. Sedert 1859, dagteekening der inrigting
der eerste Missie in den Oregon tot in july 1845 hadden
de Missionnarissen van den Canada ongeveer 5000 persoonen gedoopt. — Het getal van gehuerde catholyke jagers
by de verschillende standplaetsen der achtbare Handel-
maetschappy van de Baei d'Hudson in den Oregon , met
de Colonisten van het zelfde land klimpt tot vele honderden; dat gevoegd by de 2857 Doopsels, toegediend sedert
1841 in onze verschillende Missien der Rotsbergen, maekt
een aental van meer dan 6000 catholyken voor den Oregon uit.... Het mostardzaed groeit wonderlyk wel en
breidt .zyne takken over dezen akker uit, die eertyds zoo
onvruchtbaer en zoo langen tyd veronachtzacmd was.
In de maend juny verliet de Pater Nobili, vergezeld
van eenen broeder Novicie, den Wallamette, om de ver
schillende volkstammen van Nieuw Calédoniën te gaen bezoeken, die reeds in 1842-43, door M. Demers bezocht
waren; de Kameloups, de Atnans of Shouwapemoh, de
:- ■V
S£SH
0^353
«W
VAN  DEN OREGON.
77
Porteurs of Ltaoten. Hun naem verandert volgens de verschillende plaetsen, waer zy hunne legerkampen hebben,
en met den uitgang ten, die volk beteekent, wordt hy of
Stèlaoten of Nashkoten of Tchilkoten of Nakazètéoten. De
Pater Nobili doopte 436 kinderen. Zoodanig zyn de vurigheid en de yver dier arme Indianen geweest, dat zy, ondanks de afwezigheid van allen priester, dry kerken in
hout gebouwd hebben, in de zoete hoop, dat een JVépa-
payattok of Pater zich in het midden van hen zou komen
vestigen.... Het getal der gehuerde catholyke jagers is in
de verschillende forten van dit land groot. De Heeren der
achtbare Handelmaetschappy der Baei d'Hudson, ofschoon
protestanten, hebben zich vrygunstig opzigtens die wilden
getoond, om den ingang van eenen Priester op de landstreken van dat deel huns gebieds te bekomen en te verge^-
raakelyken.
Ik ben, enz.
P. J. De Smet. S. J.
fifl
^s^Ssjffe MISSIEN
N° IV.
a:
M.
D.
G.
S' Ignace van de baei der Kalispels,
7 Augustus 1845.
L^g Monseigneur;
Eenige dagen na het vertret>van den Pater Nobili, die
in de sloepen der achtbare Handelmaetschappy der Baei
d'Hudson eene plaets verkregen had, verliet ik te land
onze verblyfplaets van S* Francois-Xavier met elf peerden,
beladen met ploegen, spaden, houweelen, en andere timmermansgereedschappen. Ik had tot reisgezel den goeden
broeder Mac Gil, lerlander en twee Metis. Wy ontmoetten
vele verhindernissen en moeijelykheden op de Bergen der
Cascades, waer het water overal in dat jaergety by stroomen afrolt en met zulk eene onstuimigheid tegen de groote
rotsbolken aenbruist, waermede hunne bedden bezaeid
zyn, dat men dezelve niet overkomt dan met duizende gevaren en gedurige moeijelykheden.... In de enge valleijen
dier bergen spreiden de Rododendrums al hare schoonheid
en jeudigheid ten toon. Hoog van 15 tot 25 voeten en by
duizende vereenigd, vormen zy er boschjes, waer hare ineen geslingerde takken, heerlyke gewelven vertoonen,
hezaeid met ontelbare vleeschkleurige, roode en witte
bloemtrotsen en waerin al de schakeringen der roos gevonden worden.
De weg, welken wy doortrokken, was bestrooid met
beenderen van peerden en  ossen, treurige gedenkteeke-
-24W "38""
HM» 1 lil
«=5*3=
VAN   DEN  OREGON.
79
)>
)>
»
nen der onheilen, welke andere reizigers in die streken
ondervonden hadden. Wy gingen nevens den voet van
den berg Hood, die al de andere beheerscht. De kapitein
Wyeth spreekt er met verrukking van, wanneer hy denzelven van den top der Montagnes-Bleues zag.%$De reiziger, wanneer hy het westen nadert, ziet de verhevene
toppen der Montagnes-des-Cascades op eenen afstand
van 160 mylen ; — velen verheffen zich zestien duizend
voeten boven de oppervlakte der zee. Al de andere land-
» gezigten in Amerika, by dit vergeleken, verdwynen.
» Van een enkel standpunt heb ik zeven hooge bergen
» van die keting, die zich van het noorden naer het zui-
» den uitstrekt, beschouwd; — hunne schitterende wit-
» heid, hunne kegelachtige en onbeklimbare vorm, geven
»  haer de gedaenten van onmetelyke suikerbrooden. »
Wy besteedden twintig dagen om ons van den Wallamette naer Walla-Walla te begeven door woeste en golvende heigronden, die niet voortbrengen dan den alsem, den
cactus, het bundelgras en andere soorten van kruiden en
planten, eigen aen dorre en zandachtige gponden... Het
wild is er zeldzaem: nogtans ziet men er groote p^Jryzen
of fazanthen, avocetten, verscheidene kleine vogeltjes
van eene nieuwe soort, konynen en hazen; de Saluman-
dres krielen er; dikwyls treft men er ook Armadillen aen,
vooral in de nabyheid der Grandes Dalles.
Het fort Walla-Walla ligt aen 46°2;' graden breedte en
119°50' graden lengte. Het is omfingd vim zandgron^l
zyne omstreken ver toonen de wildernissen vanArabiën.De
monding der rivier Walla-Walla is er slechts eene myl van
verwyderd. Hare lage landen, wanneer zy bespoelftifcor-
den, zyn vruchtbaer en men bouwt er met voordeel de
maïs, de tarwe, de gerst, de aerdappelen en alle soorten
van moeskruiden. Zy hebben in het fof| ook koeijen, ver-
kens in groot getal en aenzienlyke poepen van peerden.
Ik heb u menigmael gesproken van de wildernis Nezr
1.
lli
■ I
J.?
Bill
MISSIEN
Percé en Spokan, ik heb niets meer om het verslag te ver-
grooten dat ik u van die treurige landstreek gegeven heb.
Nogtans worden de vlakten ten oosten, naermate men de
Montagnes-Bleues nadert, vruehtbaerder en schooner; zy
worden door ontelbare kleine stroomtjes doorsneden, welker wateren klaer en gezond zyn. De dalen, die tegen den
berg aenliggen, zyn vry schitderachtig, vruchtbaer in ryke
weilanden en overdekt met schoone bosschen van pyn-,
ma est- en doornen-boomcn; het is in die lagchende weilanden dat de Nez^Percés en de Kayusen verblyven. Zy
bezitten eene groote menigte peerden; eenige huisgezinnen hebben er tot vyftien honderd toe,
Zy teelen met goeden uitslag het graen, de aerdappelen, de erwten en verscheidene andere groenten en vruchten. Deze streek van den Oregon heeft de schoonste weilanden ; zelfs in den winter vinden de dieren er een overvloedig voedsel en hebben geene beschutting noodig om
zich tegen de koude te behouden; want de luclltgesteldheid is er vry gematigd ; de sneeuw als ook de aenhou-
dende en onmatige regens zyn er niet gekend.
Ik kwam met al myn reisgoed aen de Baey der Kalispels omtrent half july. Sedert myn vertrek in de lente
was het getal der bekeerlingen er vergroot. Op Hemel-
vaertsdag had Pater Adriaen Hoeken het geluk gehad van
honderd meerderjarigen te doopen. Tydens myne afwezigheid had men er vier huizen in hout gebouwd en al de
bouwstoffen bereid tot de oprigting eener kleine kerk met
een besloten veld van 80 gemeten. Het getal der gedoopte
Kalispels, zoo volwassene als kinderen, beloopt nu meer
dan tot vierhonderd. Zy allen zyn vol yver en vurigheid;
zy steken de hand met moed aen de byl en de ploeg, en hebben besloten het omzwervende leven te verlaten en zich
eene vaste wrooning en een bestendig bestaen te bezorgen.
De schoone watervallen der Colombia, genoemd de
Chaudières, in de nabyheid van het fort Colville, zyn
i $ VAN DEN  OREGON.
81
slechts twee kleine dagreizen van het nieuw verblyf S*
Ignace gelegen. Acht tot negen honderd wilden vinden er
zich vereenigd voor de zalmvangst. Ik begaf my derwaerts, met het vast voornemen van met hen de noveen
van onzen vermaerden Insteller te doen. Tydens de vier
laetste jaren hadden een groot getal dier Indianen het geluk gehad door de Robes-noires bezocht te worden en het
doopsel te on tvangen...Zy ontvingen mymet eene ware kin \
derlyke liefde en vreugd.... Ikdeedmynearmekleine kapel
van riet, op eene verhevene plaets te midden der Indiaen-
sche hutten oprigten. — Zy verbeeldde naer het leven den
pelikaen der wildernis, vergaderende onder zyne vleugelen
en voedende met liefde zyne nog teedere jongen, maer die
hongerig zyn naer een vast voedsel. Dagelyks hield ik dry
onderwyzingen, waerby de Indianen met alle neerstigheid
en gewenschte aendacht tegenwoordig waren.
De feestdag van den H. Ignatius was voor my, het voor-
gaende jaer, een dag van beproeving en ongerustheid,
maer ook een dag van byzondere bescherming der Voorzienigheid over ons, een dag, welken ik my geerne her-
rinner. Hy eindigde zoo gelukkig en vooral zoo heerlyk,
dat al myne reisgenooten, waeraen ik niet twyfel, denzelven nooit zullen vergeten en God er eenen eeuwigen
dank over betuigen. Zonder landkaert, zonder de monding
te kennen, vaerden wy dien dag over de gevaerlyke en
verschrikkelyke.zandbank der Colombia, even als gedragen op de vleugelen der Engelen 111 Dit jaer heb ik den
feestdag van den H. Ignatius overgebragt te midden van
den arbeid, maer van eenen arbeid, die zoo zoet is voor
het hert van den Missionaris, en die door de vertroosting,
welke dezelve verschaft, hem met bet hondervoud beloont,
voor al de beroovingen, pynen en vermoeijenissen, welke
hy verduert.
Meer dan honderd kinderen werden my aengehoden
om gedoopt te worden, als ook elf grysaerds, van welke
v.  m. 6
I
VJ.V/ 82
MISSIEN
velen, op huiden gedragen, slechts den dag der herboring
verwachtten, om in den schoot van hunnen goddelyken
Verlosser te gaen rusten. De oudste van hen, een Okina-
gane, was blind en byna honderd jaren oud; hy zeide my
onder andere deze treffende woorden: « Myn leven is
» lang op de aerde geweest en myne tranen hebben niet
» opgehouden te vloeijen. — Ik ween nog dagelyks,
want ik heb al myne kinderen zien sterven. — Al myne
oude vrienden zyn verdwenen. — Ik vind my onder
myn volk verlaten en als te midden van een vreemd
volk. —- De herinneringen alleen houden my bezigen
dezelve zyn treurig en bitter. Nogtans heb ik eene vertroosting: — Ik heb het gezelschap der boozen gevlugt.
— Nimmer heb ik my by hen willen voegen, noch in
hunne dieveryen,noch in hunne stryden, noch in hunne
moorderyen. Heden is de vreugd tot in het binnenste
myner ingewanden doorgedrongen. — De Groote Geest
heeft zich over my ontfermd. —- Ik heb het doopsel
ontvangen. — Ik bedank hem er voor. — Ik geef hem
}>
)>
»
})
J)
3)
»
J>
:>
)>
3>
»
:>
myn hert en myn leven. »
ïk gebruikte al myne vrye oogenblikken gedurende de
noveen om hen tot het weerdig ontvangen van het heilige
sacrament der herboring te bereiden. Er werd eenepleg-
tige Mis gedaen, onder welke de Indianen lofzangen tot
verheerlyking van God zongen, -r- De plegtigheden des
Doopsels hadden daerna plaets en alles eindigde in de vol-
maekste orde, tot groot genoegen en stichting van al de
wilden.
De vereeniging vertoonde een waerlyk grootsch gezigt:
de groote rots, het doffe gebruis der groote watervallen,
dat van verre in de wildernis, op de boorden der magtige
rivier van den Oregon, weergalmt, wanneer hare ongeduldige wateren eenen oneindigen en onstuimigen stroom
vormen; in eenen doolhof van rotsen neerstorten en zich,
ajseven zoo vele doorschynendekolommen, van alle kanten VAN DEN OREGON.
83
verheffen in watersprongen, waerin de ryke kleuren van
den regenboog by de stralen der zon vertoond worden.
Alles droeg by om aen de plegtigheden van den dag eene
levendigere belangstelling te geven... Behalven de Indianen Shuyelpi of Chaudières, zag men er Indianen der
groote meeren van de Columbia, Okinaganen, Sinpoils,
Zingomères en verscheidene Kalispels, die my vergezeld
hadden, om my tot geloofsonderwyzers en zangers te dienen. |Bc heb den naem van S* Paul aen de standpllets der
Shuyelpi gegeven; die der groote meeren van de Colombia,
waerheen^e Pater Hoeken zich welhaest moet begeven, om
met de onderwyzing voor te gaen en al de volwassenen te
doopen, is onder de bescherming van den H. Petrus ge-
plaetst.
Myne tegenwoordigheid te midden dier goede Indianen
onderbrak hunne schoone en overvloedige vischvangst
niet. Een zeer groote korf werd aen een uitstekend punt
der rots vast gemaekt en de heerlyke visschen der Colombia kwamen er zich in menigte en als met vermaek in
werpen. Zeven of achtmael op den dag ledigde men de
mand, en eiken keer vond men in dezelve tot 250 zalmen
toe. In tusschentyd wierpen de harpoen werpers, op dé
rots gerangschikt, met zoo groote behendigheid aenhou-
dend hunne harpoenen, dat zy byna nooit hunnen prooi
misten.
Buiten den Oregon zal men my misschien van overdrevenheid beschuldigen. Ik durf nogtans verzekeren, dat men
zoo gemakkelyk de keisteenen zou kunnen tellen, waer-
mede de beide boorden der rivier Colombia met overvloed
bezaeid zyn, dan de visschen van verschillende soorten,
welke zy voedt. Dat men er over oordeele door de over-
groote vertering derzelve. Gelyk de buffel der vlakten
ten oosten der bergen het eenige voedsel is der volkstammen, welke diestreken bewoonen, zoo is het de visch ten
westen. Wanneer de zalm en de andere visschen de rivier Am
iarWMi&.iti-f» wg.
2=S    I
^rr^S^ci'—--r:r-.:
84
MISSIEN
opkomen, begeven de Indiaensche stammen zich in menigte op al de punten, die het gunstigste zyn voor de visch-
vangst. Niet alleen vinden zy er een overvloedig voedsel
voor geheel dat jaergety; maer de menigte der visschen,
welke zy vangen, is zoo groot, dat zy, door dezelve te
droogen, tot poeder te brengen en dit poeder met de olie ^
welke de visch oplevert, te mengen, met weinige voorzorg en arbeid, zich eenen genoegzamen voorraed van
levensmiddelen kunnen bezorgen voor het overige des
jaers.
Eene ontelbare menigte van zalmen zwemmen de rivieren tot aen haren oorsprong op en sterven er van uitge-
putheid, en gebrek aen water. De forellen en eene soort
van karpen volgen dezelve in menigte en onthalen zich deftig op de kuyt welke de eerste in de huilen en stille waters
der rivier afleggen. In de volgende lente zwemmen de
kleine zalmen naer de zee, en men zegt, (ik weet niet op
welk gezag) dat zy slechts het vierde jaer wederkeeren.
Men vindt in de wateren der Colombia zes verschillende
soorten van zalmen.
Den 4 Augustus verliet ik de watervallen der Chau-
dières met vele Metis van den stam der Cries, om den grond
te gaen onderzoeken, welke zy verkoren hadden tot de
inrigting of de ligging van een dorp. Ik vond den grond
bekwaem voor den akkerbouw en vruchtbaer; reeds was
men bezig met de opbouwing van vele wooningen. Ik heb
den naem van S* Francois-Regis aen die nieuwe reductie
gegeven, waer een groot aental Metis en eastorsjagers
hebben besloten zich met hunne huisgezinnen te komen
neerzetten.
Den 6 trok ik over den hoogen berg der Kalispels en
kwam tegen den avond in de reductie van S* Ignace. De
Paters Hoeken en Ravalli met twee broeders medehelpers
bestieren die belangryke kleine colonie. Van S* Ignace
zullen zy de verschillende volkstammen van het nabuer-
■" "V  .liiirtiiffi-      iTiiw    i- VAN   DEN  OKEGON.
85
'w
schap gaen onderwyzen ; jzoo als de Zingomènes, de Sin-
poilsj, de Okinaganes, de standplaetsen van* S* Francois-
Regis, van S* Paul en S* Pierre, de Arcs-a-plats en de Koe-
tenaisfyk ben voornemens binnen kort naer die twee laetste
stammen te vertrekken, tot welke nooit Priester is doorgedrongen , om er de wegen voor de ontvangst van hunne
toekomende Missionnarissen te bereiden. Die verschillende
stammen tellen dooreen gerekend elk ongeveer vyf honderd zielen.
Ik ben enz.
P. J. De Smet. S. J.
y$
. ga
■n
«ft-WaW»***»1*! III
MISSIEN
N°ïV.
A.
M.
D.
G.
Standplaets der Assomption , Arcs-a-Plats
17 Augustus 1845.
Monseigneur ;
Den negenden zette ik myne reis naer het land des Arcs-
a-PIats voort. De paden waren nog overstroomd door den
grooten aenwas der waters; ik verkoos liever de Rivier a
Clark of aux Têtes-Plates met een bootje van schors op te
varen, en ik zond myne peerden door de digte bosschen,
die de rivier bezoomen, om my aen het groote meer der
Kalispels af te wachten.
Alhier had ik eene onverwachte en vry aengename ontmoeting: zoohaest wy het bosch naderden, zagen wyereen
twaeftal ruiters met verscheurde kleederen uitkomen, die
eenen edelman in vodden en met eenen afhangenden hoed
op het hoofd voor leidsman hadden: geheel hun uiter-
lyke gaf te kennen, dat zy vele van hunne pluimen hadden
achtergelaten in de naby ondoordringbare bosschen van
het land Koetenai, welke zy kwamen door te trekken. De
edelman groette my by mynen naem met de teekenen
van eene oude kennis. Ik groette hem ook en vraegde,
met wien ik de eer had te spreken. Eene kleine rivier
scheidde ons van elkander en met eenen grimlach antwoordde hy: « Heb een weinig geduld, tot dat ik my aen
j> den anderen boord bevindeen daer zult gy my kennen. |
Het is geen castorjager, zeide ik tot my zelven, en onder VAN den oregon.
dat verscheurde kleed en dien slechten hoed, konde ik
niet gemakkelyk erkennen een der voornaemste leden der
achtbare Handelmaetschappy der baei d'Hudson, den
weerdigen en treffelyken Heer Ogdon.JIk had de eer en
het geluk gehad van in 1842 met hem m zyne schuit te
reizen, van Colville tot aen het fort Vancouver, en men
zou geen belangryker en aengenamer gezelschap kunnen
vinden, dan dat van dien achtbaren Heer. Men moet in de
wildernis reizen, alleen zyn ver van zyne broeders en
vrienden, om de vertroosting en de blydschap van eene
dergelyke ontmoeting te begrypen..!. M. Ogdon had de
voorledene maend april Engeland met twee officieren der
genie verlaten.
Ik ontving met genoegen de nieuwgtydingen uit Europa,
maer de zaek van den Oregon kwam my wat verontrustend voor; want het was noch de nieuwsgierigheid noch
het vermaek van te reizen, welke die twee Heeren door
zoo vele woeste streken geleid hadden, en hunne reis zoo
spoedig deden voortzetten naer de monding der Colombia.
Zy hadden order van hun staetsbestier van bezit te nemen
van de kaep Désappointement, er de Engelsche vlag op te
steken en eene versterking te maken, om zich den ingang
der rivier te verzekeren. In de zaek van den Oregon gaet
John Buil (i) zonder te veel gerucht te maken, regt naer
zyn voorgesteld oogwit en maekt zich van het belangrykste
punt dek lands meester. In tegendeel, Uncle Sam (2)
praet te vergeefs, raest en tiert; hy heeft geheele jaren
overgebragt in een vruchteloos twisten en kyven, zonder
eenige pooging te doen om zich zyn wezenlyk of gewaend
regt te verzekeren. Zy, aen welke wezenlyk het land toebehoort, de arme inboorlingen van den Oregon, zyn de
eenigen, welke men niet raedpleegt; hun lot zal zonder
twyfel dat zyn van zoo vele ongelukkige stammen, die na
(1) De Engelschman. (2) De Amerikaen.
Ml
IM
'i ii atsfefe'
88
MISSIEN
! M£
1
m
gedurende eeuwen van den opbrengst der visch vangst en
jagt vreedzaem te hebben geleefd, eindelyk als slagtoffers
der ondeugden en van den doodelyken invloed der heden-
daegsche beschaving yerdwynen zullen.
Van het groote meer leidt de weg u tot de Arcs-a-Plats
door digte bosschen, vol van verhindernissen (neergevallene boomen), van meeren en ysselyke modderpoelen,
waer uit de arme lastbeesten zich met moeite trekken
kunnen ; maer wanneer de reiziger, by zyne komst uit het
bosch, van eene verhevene plaets beschouwt de toelag-
chende vallei, die zich eensklaps aen zyne blikken vertoont ; die twee schoone meeren, die er overal een ryk en
aengenaem groen onderhouden^ die heerlyke rivier der
Arcsa-Plats of Mac Gilvray, die zich op alle wyze kronkelt, vergeet hy het voorledeneen gevoelt zich schadeloos
gesteld voor de treurige gezigten en de vermoeijenissen
van eene lange dagreis.
Dat deel van de vallei der Arcs-a-Plats gelykt zeer aen
de twee valleijen der Coeurs-d'Alènes; zelfde vruchtbaer-
heid van grond , zelfde broeklanden , zelfde meeren;
schoone weilanden, boschjes van weigen-en-pynboomen,
hooge bergen, tot den top toe overdekt met digte boschjes,
dalen, waerin decederboomen hunne statigheid en heerlyk
loof ontvouwen, en gelyk Racine zegt, hunne trotsche
kruinen in de hemelen verbergen.
De rivier, die daer kalm en diep is, wentelt zachtjes
hare wateren; maer by het smelten van den sneeuw, loopt
zy met zulk eene snelheid en onstuimigheid over hare
boorden, datzy in haren geweldigen loop, boomen, stukken van rotsen en al wat haren doortogt zou willen verhinderen, medesleept. Alsdan is geheel de vallei binnen
weinige dagen overstroomt; zy vertoont aen de oogen niet
meer, dan meeren en onmetelyke moerassen, die slechts
door eenige zoomen van boomen van elkander gescheiden
zyn. Het is door dit middel, dat de voorzienigheid, altoos VAN  DEN  OREGON.
89
goedgunstig tot hare schepselen, de ongelukkige stammen
te hulp komt, welke die landen bewoonen en zy hun mil-
dadig hunne noodwendigheden verschaft. De meeren en
poelen, die in den lente gevormd worden, worden met
visschen vervuld, die daerin als in natuerlyke vyvers opgesloten blyven tot het gebruik der arme bewooners. Zy
krielen in dezelve met eenen zoo grooten overvloed , dat
men slechts de moeite heeft ze uit het water te trekken en
voor den ketel gereed te maken.
Zulk een bestaen is nogtans niet dan onzeker; wanneer
de wilden geenen genoegzamen voorraed opgedaen hebben , zyn zy da erna verpligt wortelen, graen en vruchten
te gaen zoeken. Zoodanig zyn de doornenstruiken, die
eene zwarte, aengename en zoete vrucht dragen, de kroppen der roozen; de troskersen; de sorbenboom; de fram-
boozen; de hulstbeziën; de pamppinen; de wabatoo
(Sagitta Folia), bolachtige wortel, die zeer voedzaem is;
de bittere wortel, welker naem genoegzaem zyne hoedanigheid te kennen geeft en nogtans zeer gezond is; hy
groeit in ligte en drooge gronden, als ook de Caious of
beschutwortel: de eerste is dun en rondachtig, de tweede
is smakeloos en meelachtig; hy vervangt echter zeer wel
en is in gedaente gelyk aen de kleine witte radyzen; de
waterpatate, eironde en groenachtige bolwortel, die
gelyk de aerdappelen toebereid wordt, maer niet zoo
goed is; de kleine ajuin; de zoete ajuin, die eene zeer
schoone bloem draegt gelyk de tulpen; de aerdbeziën,
die lekker en zeer gemeen zyn. Ik zou deze lyst kunnen
vergrooten met er eenen anderen by te voegen van de
allerslechtste vruchten en wortelen, waermede de wj||*
den zich voeden (zy ceten alles in die soort), maer
welke beschaefde magen niet zouden kunnen verdragen.
Ik kan nogtans niet stilzwygend den wortel van den
kamash ( de Sxaaloo der Indianen) voorj|y gaen, en de
bemerkensweerdige wyze, waerop men dezelve toebe-
in-jij ...i■ jw ii ss
•4&DÏ
m
MISSIEN
H
; ■
reidt: die wortel is er in overvloed, en is volgens^ myn
oordeel de koning van de wortelen dier landstreken.
Het is een kleine witte ajuin, die, alvorens gekookt
te zyn onsmakelyk en na de koking zwart en zuiker-
achtig is. Wanneer de vrouwen, gewapend met spitse
en hoekachtige stokken, zich door eenen langen en
zwaren arbeid eene zekere hoeveelheid dier ajuinen
bezorgd hebben, graven zy een gat van dry of vier decimeters in de diepte en van eenen diameter naer hunnen
rykdom; zy overdekken er den grond van met eenen zeer
effen steenen vloer, welken zy door middel van een groot
vuer gloeijend maken. Na er zorgvuldig al de gloeijende
kolen te hebben uitgetrokken, overdekken zy die steenen
met groene kruiden of vochtig hooi, op welke zy hunne
Kamash uitstorten: daerop komt eene tweede laeg van
vochtig hooi, daerna eene van schors, eindelyk een hoop
aerde, waerop zy een soort van vuer onderhouden gedurende 50, 60 en soms 70 uren: de Kamash bekomt alzoo
eene dikte of styfte byna gelyk aen die der borstbezien
onzer patés de jujubes; dezelve wordt soms gebragt tot
brooden van verschillende grootte. Zy is uitmuntend,
vooral met het vleesch gekookt; zy blyft langen tyd goed,
als men dezelve maer droog houdt.
Zoohaest de voorraed der visch vangst en van den oogst
uitgeput is, beginnen de Indianen de dieren der bosschen,
vlakten en bergen te vervolgen.I Valt de jagt hun niet
mede, hunne honger wordt zoo groot, dat zy zich eindelyk gebragt vinden tot de Mos, altoos overvloedig hulpmiddel voor hen, die door den honger gepraemd worden
en veel gemakkelyker om te bekomen dan de Kamash;
dit gewas hecht zich aen de dikke pynboomen, vry gemeen
in die streken; aen hunne takken hangt er eene groote
hoeveelheid van die zwartachtige mos, die by den eersten
oogslag geschikter zou schynen om eene matras te vullen
dan het leven van den mensch te onderhouden. Wanneer
■ VAN  DEN  OREGON.
91
men er zich eene groote hoeveelheid van bezorgd heeft,
zoekt men dezelve uit, om er alle vreemde zelfstandighe-
den van af te zonderen; daerna doet men dezelve de koking ondergaen, waervan ik by de Kamash gesproken
heb. De Mos vormt zich in dikke, vaste en aen elkander
gekleefde lagen. Zy is de ellendigste der spyzen; binnen
weinige weken doet zy den gebruiker tot eenen deernis-
weerdigen staet van kwyning vervallen.
Zoodanig zyn de Arcs-a-Plats, zy kennen noch nyver-
heid, noch kunst, noch wetenschap: de woorden het
myne en het uwe zyn by hun byna niet gekend. Zy genieten in 't gemeen de gunsten, welke de natuer hun van
zelfs schenkt; en dewyl de wilde in 't algemeen wonder-
lyk zorgeloos is, gaen zy dikwyls van eenen grooten overvloed tot eene uiterste armoede over. Heden zullen zy
hun ligchaem geheel overdadig opvullen, morgen en dikwyls vele achtereenvolgende dagen zullen zy in de
volstrekste onthouding overbrengen. Echter zyn die twee
uitersten hun altoos even nadeelig: de doodverwige en
van alle levendigheid beroofde aengezigten, welke ik onder hen aentrof. verschaffen my een treurig bewys van
hetgeen ik zeg.
Ik was by tyds onder de Arcs-a-Plats gekomen om van
hunne eerste vischvangst en het groot gastmael getuigen
te zyn hetwelk zy jaerlyks by die gelegenheid houden. De
mannen alleen hebben het voorregt van er by tegenwoordig te zyn.... Een vuer van ongeveer vyftig voeten lang,
was ontstoken en hoopen van keijen, ter grootte van een
kalkoenei, bevonden zich op de gloeijende kolen. Tachtig
mannen waren rondom dit vuer gerangschikt, elk met
hunnen teenen ketel, vol water en visschen; de zael, waer
dit buitengewoon gastmael gegeven werd, was opgerigt
van biezen matten: zy had dry openingen of deuren, eene
aen elk einde, om tot ingang voor de gasten te dienen en
eene derde in het midden om doorgang aen de visschen te
"-E*** ^»»
Ttïïnmnl  - i"ilfTWi3'iiifiAii
92
MISSIEN
ij;
B ff'
verleenen. Wanneer al de maetregelen genomen waren en
elk op zynen post was, hield de overste eene korte aen-
spraek van aenmoediging tot zyn volk en eindigde met een
smeekgebed tot den Grooten Geest, waerin hy eene overvloedige vischvangst vraegde. Hy gaf het teeken en al de
manschappen, gewapend met twee aen het einde platge-
gemaekte stokjes, op de wyze van tangen, trokken de
keijen uit het midden der gloeijende kolen en werpen dezelve elk in zynen ketel. Zy hernieuwden die bewerking
twee mael en de visschen waren binnen eenige minuten
gekookt. Eindelyk gingen zy op de hielen neerzitten en
begonnen het gasjmael; nogtans wachtten zy zich met de
grootste zorg van de graeten van den visch te breeken of
te ontbinden, conditio, sine qua non, eener goede vischvangst. Eene enkele graet gebroken zou een kwaed voor-
teeken zyn, en de plegtige zou aenstonds van de visschers-
bende moeten uitgesloten worden, waerin zyne tegenwoordigheid nadeelig zyn en onfeilbaer een onheil veroorzaken
zou. Men vindt in het groote meer en de rivier der Arcs-
a-Plats eene soort van steur, die dikwyls zes, tien en
soms twaelf voeten lang is^De wilden maken er zich van
meester, door denzelven met pylen te doorbooren.
Dit jaer, gelyk al die, w7elke ik tot nu toe in het midden der wilden overgebragt heb, was de Hemelopneming
der H. Maegd Maria voor my een dag van vertroosting
en geluk. Ik had den tyd gehad van alles voor de pleg-
tigheden van dien schoonen feestdag te bereiden. Dank
aen de onderwyzingen en goede raedgevingen van eenen
vroomen Canadiaen, M. Berland, die langen tyd onder
hen in hoedanigheid van Handelaer gewoond heeft, ik
vond de kleine troep der Arcs-a-Plats, buigzaem voor
de genade en volmaektelyk bereid om het christelyk
geloof te omhelzen. Zy kenden reeds de voornaemste
punten van den godsdienst en zongen duidelyk vele
gezangen in het Fransch en in het Indiaensch. Ongeveer VAN DEN OREGON.
93
maken zy 90 huisgezinnen uit. Ik droeg er het eerste
H. Misoffer op, dat in hun land geofferd is.... Na de
heilige en verhevene plegtigheden des Altaers, ontvingen
92 van hunne kleine kinderen het Doopsel als ook tien
meerderjarigen van eene zeer gevorderden ouderdom...
Zy waren zeer oplettend en neerstig by al myne onder-
wyzingen. In den avond had de planting des kruis
plaets, op eene zoo plegtige wyze als de omstandigheden
zulks toelieten. De nederige standaerd van den Goddelyken
Zaligmaker werd op de boorden des meers opgerigt,
onder de losbranding van tachtig geweerscheuten. Aen
zynen voet deed de geheele stam de offerande van zyn
hert aen den Grooten Geest, beloofde eene onschendbare gehechtheid aen al de pligten der ware kinderen
van het gebed en vernietigde al wat er van zyne guiche-
laryen en oude bygeloovigheden overgebleven was. De
standplaets ontving den schoonen naem der Assomption...
Onder de bescherming van Ma?ia, die goede moeder,
welker gezangen zy sedert vele jaren niet opgehouden
hebben te zingen, hopen wy, dat de Godsdienst zich
meer en meer zal vestigen en bloeijen te midden van
dien belangryken volkstam, waerin nog in al zyne
kracht de eendragt, de eenvoudigheid, de onnoozelheid
en de vrede heerschen. Zy verlangen vurig zich aen den
akkerbouw over te geven, welks voordeden ik hun
verklaerde, en zy ontvingen met de grootste blydschap
de belofte, welke ik hun deed, van hun zaed en eenig
landbouwers gereedschap te zenden.
Ik ben, enz.
w
P.-J. De Smet. S. J. Haute-Traverse der rivier der Arcs-a-Plats,
3 September 1845.
De Arcs-a-Plats en de'Koetenais zyn in het land gekend
onder den naem Skalzi en vormen slechts eenen enkden
volkstam, verdeeld in twee troepen. De weg, die naer
die laetsten leidt, verandert elk oogenblik van gezigt:
in 't eerst trekt men door schoone en ondigte bosschen
van roode mastboomen, van wol en doornen-boom en, die
een weinig golven; daerna komt men in digte bosschen,
die zich vertoonen alse de nee plus ultra (het uiterste)
der wildernis; het is daer, dat men, met de byl nieuwe
padenlfmoet banen, om de talryke verhindernissen te
vermyden, die door de menigvuldige omvergevallene
boomen veroorzaekt worden, welke de stormen van den
herfst omver geworpen en op elkander gestapeld hebben.
De bosschen, waervan ik Uwe Hoogw. spreek, zyn overal
zoo digt dat men zynen leidsman uit het oog verliest op
eenen afstand van twaelf roeden. Het zekerste middel
om, by het doortrekken derzelve, niet te dooien, is
zich geheel aen de scherpzinnigheid van zyn peerd toe
te betrouwen; het volgt getrouwelyk de andere lastdieren,
die den weg banen: honderd mael zou ik zonder dit
middel gedoold hebben.... Ik zou het u niet kunnen
verbergen, die akelige plaetsen doen in den geest van   VAN DEN OREGON.
95
den reiziger treurige en zwaermoedige denkbeelden ont-
staen, die hem verontrusten en benaeuwd maken; duizende hersenschimmen doen de verbeelding schrikken,
als of men veroordeeld ware om nimmer uit die doolhoven te geraken, die tot schuilplaetsen aen de beeren
en pantherdieren verstrekken.
Het pad kronkelt in de nabyheid der rivier en van
tyd tot tyd laet het der oogen toe zich op eenige der
aengenaemste schilderachtige gezigten, welke dezelve in
haren loop vertoont, te vestigen. Het pad doorsnydt de
punten of kronkels der rivier, overal waer de rotsachtige
grond het toelaet. Op eene plaets, wrelke men de Portage
noemt, loopt de rivier door eene engte van bergen of
liever van scherpe rotsen eener ysselyke hoogte. Het is
door die in den schyn onoverwinbare verhindernissen,
dat men met gevaer van honderdmael zyn leven te verliezen, ongeveer acht mylen moet afleggen. Al het moeije-
lykste, gevaerlykste en ysselykste wat men zich in het
stuk van weg verbeelden kan, treft men er aen. Het is
niet dan een steil op- en af klimmen, dan afgrysselyke
afgronden, dan lange en enge afdalingen. By eiken voetstap doet het zien des gevaers het bloed in de aderen
verstyven en overdekt al de leden met een koud zweet.
Menigmael was ik verpligt my als eene kat voort te
slepen, en by eiken overtogt bedankte ik den Heer, als
of ik aen de dood met al zyne benaeuwdheden kwam
te ontsnappen. Te midden dier wanstalige opeenstapeling
van rotsen, bannen de wateren zich eenen doortogt
onder duizende verschillende gezigten: het zyn water?
vallen, maelstroomen, draeijkolken, bekwaem om de
grootste boomen in te zwelgen; hier het zoete gemurmel
des waters; daer het doffe geloei van eenen onstuimigen
stroom, van eene neêrstorting, van eene ry van watervallen ; het oor worc|t er door bedwelmd, terwyl het oog
ter zelfder tyd eene keten van uitstekende punten en rots-
1
1
L'l
Lf.'
i ':
■:il mmm
mr
mmm
96
MISSIEN
achtige eilanden beschouwt, die hier en daer met ceder- en
pynboomen versierd zyn.
Aen den voet dier bergen der Portage vindt men eene
onmetelyke en effene en zeer verhevene plaets, die in de
volkryke landen eene heerlyke ligging voor de stichting
eener groote stad zou aenbieden. De bergen die dezelve
omringen, zyn trotsch en schilderachtig; zy herinneren
my de bergen Mapocho, die de schoone hoofdstad van den
Chili (Santiago) omgeven. Van hunne toppen vloeijen ontelbare kleine beken in de vlakte neder en bevochtigen
dezelve in geheel hare uitgestrektheid. De schoone rivier
La Chute doorsnydt dezelve en aen haren voet loopt met
groote kalmte de rivier Arcs-a-Plats.... De bosschen en de
steengroeven zyn er onuitputbaer; blokken steenkolen,
welke ik langs den boord gezien heb, geven te kennen,
dat die kostelyke bergstof er niet ontbreekt. Wat zou er
van die onmetelyke en thans zoo treurige wildernis worden, onder den invloed van eene weldoende beschaving,
bestierd door het christendom. Het land der Skalzi verwacht den arbeid en den yver van den werkzamen en ver-
nuftigen mensch. Het lood is er zoo overvloedig, dat het
op vele plaetsen by klompen op de oppervlakte van den
grond zelven en van eene zoo goede hoedanigheid gevonden wordt, dat er weinig twyfel is of het is met eene zekere hoeveelheid zilver gemengd. Arme en ongelukkige
Indianen! Zy vertreden met verachting zelve zoo vele verborgene schatten, zonder dezelve te kennen! Zy houden
zich met de vischvangst te vreden ; zy leven van wortelen
en vruchten; zy vervolgen vreedzaem de dieren der bosschen ; zy beschouwen met verwondering, maer zonder
ongerustheid , de onverzadelyke begeerlykheid, waer-
mede de blanke mensch, die glinsterende steenen van hun
grondgebied komt onderzoeken. Ach! zy zouden sidderen
die arme onnoozelen, kenden zy de geschiedenis van die
langelyst van volkstammen, die van de aerde verdwenen
-
«& VAN   DEN  OREGON.
97
en welker namen naeuwdyks overgebleven zyn; wisten
zy dat al de provinciën, die eertyds die rykdommen in
haren schoot verbergden, door de begeerlykheid ingenomen en verwoest zyn door eene wreede beschaving, die
de Indianen niet bezorgd heeft dan ondeugden en er overal
de treurige slagtoffers der eigenbaet en kwade herts-
togten van gemaekt heeft.
Wy kwamen na eenige dagreizen aen de weilanden van
den Tabac, het gewone verblyf derKoetenais. Het is eene
schoone en uitgestrekte vlakte, omgeven van twee verhevene plaetscn, welker zachte en geregelde hellingen, overdekt van door het water geronde keisteenen, schynen de
uitgedroogde boorden te zyn van een groot meer, dat in
een vroeger tydstip geheel die vlakte overdekt zou hebben.
Ik vond er niet dan een dertigtal hutten der Koetenais;
het gebrek had een groot aental huisgezinnen gedwongen,
vóór myne aenkomst, den grooten berg over te trekken,
om digter by de groote beesten te zyn , zoo als de Buffel,
de Eland, het Rendier, en de Hert. Zy, die overgebleven
waren, ontvingen my onder het aenhoudend losbranden
der ge weeren en met den geestdrift, de blyd schap en al de
bewyzen eener opregte en kinderlyke toegenegenheid.
Velen toonden my hun' dagregister, dat is, een' vierkanten
stok, waerop zy de dagen en de weken aengeteekend hadden , sedert dat ik hen in de nabuerschap van het groot
meer Tête-Plate bezocht had. Zy telden reeds 41 maenden
en eenige dagen. M. Berland heeft onder de Koetenais,
gelyk onder hunne medebroeders de Arcs-a-Plats zich veel
moeite gegeven om de goede gesteltenissen, waerin die
brave lieden zich bevonden, te onderhouden. Al wat ik
hun in myn eerste bezoek had aenbevolen, werd voor zoo
veel zy het zich hadden kunnen herinneren, naer de letter en met de grootste naeuwkeurigheid beoefend. Het
was het oogenblik van eenige punten van geschil te beslissen, die in myn eerste bezoek dooreenigen kwalykbc-
v.  m. 7
ü
il
»" MISSIEN
grepen of uitgelegd waren. Zy zingen gezangen in het
Fransch en in het Tête-Plate, doen 's avonds en 's morgens het gebed in het gemeen en onderhouden stiptelyk
den zondag.
De dag, wraerop men het feest van het Onbevlekt Hert
van Maria viert, zong ik er de Mis en nam in den naem
van God bezit van dat nieuwe land, waerin de priester
voor de eerste mael binnendrong. Ik diende daerna het
doopsel aen 105 personen toe, van welke er 20 meerderjarig waren. Die schoone dag werd, gelyk onder de
Arcs-a-Plats, geëindigd door de plegtigheden van het planten des kruis, dat in de lucht, onder het losbranden van
al de ge weeren der legerkamp, opgerigt werd. Daerna
kwamen al de oversten, aen het hoofd van den stam, zich
aen den voet van dat treffend zinnebeeld der vertroostende en verhevene geheimenis van de dood des godde-
Jyken Zaligmakers neêrwerpen en droegen met luider
stem de offerande hunner herten aen hem op, die zich er
de Herder en Meester van noemt....
Die standplaets heeft den naem van Immaculé Cceur
de Marie ontvangen. Een onzer Paters zal welhaest de
twee takken van dien volksstam bezoeken. Eene missie van
eenige weken, rn^et yver en volherding gegeven, zou aen
meer dan 700 meerderjarigen het geluk bezorgen van de
weerdige kinderen der Kerk te worden.
Het gebrek aen levensmiddelen drukte hen sterk by
myne aenkomst; zy baden my nogtans van vele dagen onder hen te verblyven en hun goede onderrigtingen en
eenenheilzamen raed te geven, alvorens zy zich in kleine
ïienden verdeelden om levensmiddelen in de engten der
bergen te gaen zoeken.... Den 50 Augustus nam ik myn
afscheid van de Koetenais. Twee jonge lieden vanden
stam boden zich aen, om my te vergezellen en tot leids-
lieden tot in het land der Pieds-Noirs te dienen; een derde
Jndiaen, die een behendige jager en myn taelman is, vol- VAN   DEN  OREGON.
99
maekte myn klein" gevolg. Ik vervoorderde alzoomyne
reis naer de bronnen, genoemd Têtede la Colombie. Het
land, hetwelk wy doortrokken, is zeer schilderachtig;
het is op eene aengename wyze geschakeerd door schoone
weilanden, versierd met bloemen en boomtjes van verschillende soorten; door toelagchende valleijen en meeren,
omringd door edele en nimmer geschondene bosschen,
waerin nog nooit het gerucht der byl weergalmd heeft en
die in de wildernis al hare jeudigheid en heerlykheid behouden. Zy zyn doorsneden van een groot aental water-
loopen en beken, die met onstuimigheid afloopen van de
bergketenen, die zich aen myne regter hand vertoonden
als even zoo vele ondoordringbare scheidmuren. Van de
weilanden Tabac tot aen de bronnen der Colombia vonden wy den weg schoon en gebruikbaer.
Ik ben, enz.
P. J. De Smet. S. J. 100
MISSIEN
'iet
Kr
N. VII.
A.
*
D.
By de bronnen der Colombis ,
September 1845.
Salut, roche majestueuse,
Futur asile du bonheur;
De ses trésors le divin coBur
T'ouvre aujourd'hui la source heureusc.
(Gezang Tbtr-Plate .)
Monseigneur;
Den 4 September omtrent den middag bevond ik my
byde bronnen der Colombia. Ik beschouwde met verwondering die steen- en reusachtige bergen, waeruit de groote
stroom treffelyk maer onstuimig, zelfs aen zyne bron,
vloeit, om in zynen rondzwervenden loop de gevaerlyk-
ste der rivieren van het westelyke America te worden.
Twee schoone kleine meeren van vier of vyf mylen lang,
gevormd door eene menigte van beken en bronnen, ontvangen hare eerste wateren.
Myne tent werd geplaetst op den boord van den eersten
waterloop, die aen dezelve zyne schatting komt betalen
en welken men van waterval tot waterval van onnaekbare
rotsen, die zich aen de regterhand verheffen, ziet afstroo-
men. Welke rotsen! welke verscheidenheid van gedaenten
vertoonen zy u! Het ingebeelde onder al zyne gedaenten;
het aengename, het vermakelyke en het verhevene doen VAN   DEN  OREGON.
zich te gdyl^onder eenen zelfden oogslag zien, en als èè
verbeelding maer een weinig de beguicheling te hulp
komt, ontdekt men er terstond^kasteelen van het aloude
omzwervende ridderschap met hunne talryke torentjes,
forten omringd van muren en bolwerken, paleizen, einde-
lyk hoofdkerken, prykende met koepels en torens.
Op het oogenblik, wanneer ik verscheen in het gezigt
der twee meeren, bedekten wolken van watervogels,
waterhennen, eendevogels van verschillende soorten,
talingen, waterraven, kraenvogelen , trapganzen en
zwaenen er geheel de oppervlakte van; terwyl het binnenste des meers weemelde van zalmen, die, by hunne
aenkomst aen het einde van hunnen langen loop, van vermoeidheid uitgeput waren. By het begin van het tweede
meer op eene niet zeer breede en diepe plaets, zag ik
dezelve by groote troepen voorby zwemmen verscheurd
en verminkt door de talryke snelstroomen, watervallen,
dallen en neêrstortingen, welke zy in hunne lange zee-
bedevaerd aengetroffen hadden. Het is eene niet onder-
brokene optogt, die weken en maenden duert. Naeuwelyks'
zal men het gelooven: de zalmen zyn twistziek! Ik was
getuigen van verschrikkelyke beten, welke zy elkander
met de tanden gaven. De twee meeren strekken hun tot
graf; zy sterven er in zoo groot getal, dat de, lucht er
dikwyls op eenen merkelyken afstand door besmet wordt.
By de afwezigheid van den mensch, komen de arend,
de gier, de wolf, de gryze, de zwarte, de bruine beer er
by groote troepen, om in dit jaergety te visschen. Zy
beloeren hunne prooi op den boord der rivier en by den
ingang der meeren. De snavel, de tanden, de klaeuwen
dienen hun tot haken en harpoenen. Van daer keeren de
beeren, dik en vet wanneer de sneeuwtyd aenkomt, naer
hunne holen weder, te midden der bosschen en in de
hoilen der rotsen, om er de vier treurige maenden van den
winter in eene volslagene ongevoeligheid over te brengen |
||!
i
Ii
fp 102
MISSIEN
hebbende geen ander tydverdryf, geene andere bezigheid
dan hunne vier pooten te lekken. Indien men de Indianen
gelooven moet, houdt elke poot den beer eene. maen (eene
maend) bezig, en wanneer de taek volbragt is, keert hy
zich op de andere zyde en begint den tweeden te lekken
en alzoo voortsjAlhier zal ik u in hetypoorbygaen zeggen,
dat al de jagers en Indianen bemerken, dat het een zcld-
zaem geval is, dat eene beerin met hare jongen in het
lyf gedood wordt^en nogtans men doodt dezelve in alle
jaergetyden. Waerheen gaen zy? Wat wordt het van haer,
terwyl zy hare jongen dragen? Het is eene vraeg die in
onze bergen nog moet opgelost worden.
In een tydstip, dat volgens alle waersehynlykheid niet
ver af is, wanneer de nyverheid, de wetenschappen en
de kunsten met de landverhuizing in de duizende en
duizende valleijen der Rotsbergen zullen indringen, valleij en
die zich, indien ik my alzoo durf uitdrukken, vertoonen
als even zoo vele aderen, bekwaem om het leven te doen
vloeijen in een sterk, uitgestrekt en groot ligchaem, zullen de bronnen der Colombia een zeer belangryk punt
worden. Het luchtgestel is er alleraengenaemst; de koude
en de hitte zyn er niet onmatig; de sneeuw verdwynt er,
verslonden door de lucht, naermate dat hy valt. De vallei
zou de werkzame hand, die harenyruchtbaren grond zou
bearbeiden, met het honderdvoud bèjoonen; ontelbare kudden van dieren zouden jaerlyks hun voedsel vinden in de
weilanden, waer de bronnen en fonteinen de frischheid en
den overvloed onderhouden. De hellingen en overhangingen der bergen zyn in 't algemeen met onuitputbare bosschen overdekt, waerin de larix, de barbarisse-, de cederen ide cypresboom heersenen.
In de vlakte tusschen de twee meeren ziet men schoone
fonteinen, welker wateren, beladen met steenachtige zelf-
standigheden, in hunnen loop eene rots van tufsteen vormen, gelyk aen eenen onmetelyken waterval, die bevrozen
i-   --■' -.->.-
■wij ">y • - -~ -  o VAN   DEN   OREGON.
103
of in steen veranderd is. Die wateren zyn zoet en klaer
en van de zelfde warmte als de melk, die verschuit de koci
komt. De beschryving , welke M. Chandler geeft van de
vermaerde fontein Pambouk Kalesi of der aloude Iliéra-
polis van Klein Asie, in de vallei van Méandre, zou letter-
lyk kunnen toegepast worden aen de warme fonteinen van
het hoofd der Colombia. De vlugtige oogslag, die zich voor
ons ontvouwt, is zoo wonderlyk, dat de beschryving, om
er eene zwakke gelykenis van te geven, romantisch moet
zyn. Wy beschouwden met verwondering die uitgestrekte
helling, die ons van verre van kryt had toegeschenen en
zich van naby ontvouwde als een onmetelyke bevrozene
waterval; hare golvende oppervlakte geleek zeer wel aen
een schielyk tegengehouden of eensklaps in zynen snellen
loop versteend water.
Het eerste meer der Colombia bevindt zich slechts twee
en eene halve myl van de rivier der Arcs-a-Plats en ont-
.vangt een deel harer wateren tydens den grooten aen was
van de lente. Eene ondiepte of droogte scheidt dezelve.
De voordeden, welke de natuer aen het hoofd der Colombia schynt vergund te hebben, zullen hare geographische
ligging eens zeer gunstig maken. De kunstige en bedre-
vene hand van den beschaefden mensch zou er een klein
aerdsch paradys van vormen.
De Canadiaen! welke is de streek der wildernis, waerin
hy niet doorgedrongen is? De vorst, die aen de bronnen
der Colombia heerscht, is een braef man van S* Martin
(distrikt van Mont-Real), die zich sedert zes-en-twintig
jaren in de wildernis bevindt. De huid van het rendier en
den eland zyn de stoffen , waervan zyn draegbaer paleis
gemaekt is en, om my van zyne eigene woorden te bedienen, hy scheept zich te peerd in met zyne vrouw en zyne
zeven kinderen, en verlaethet schip of'zet voet aen land overal
waer hy verkiest; hy bevindt zich alleen meester van het
land, en Polk en Peel (I), die hem in dit oogenblik zyne
(1) De Amerikaen en de Engelschman. 404
MISSIEN
fqfö
eigendommen betwisten, zyn aen onzen Karabinier zoo
onbekend, als de twee groote mogendheden der maen....
Zyn rykstaf is een valstrik om castors te vangen; zyne wet
zyne karabyn. De eene op den rug en de andere op den
arm, bezoekt hy zyne talryke harige onderdanen; de
castor, de otter, de gemuskeerde rat, de marter, de pecan,
de vos , de beer en de wolf, het schaep en de witte geit
der bergen, de reebok met zwarten steert, alsook zyn
bloedverwant met rooden steert; de hert, het rendier, de
eland, allen eerbiedigen zynen rykstaf en onderwerpen
zich aen zyne wet; hy vordert en ontvangt de schatting
in vleesch en in huiden.... Omringd van zoo vele grootheden , vreedzame bezitter van al de kasteelen, van al de
paleizen, van al de forten, waervan ik zoo even sprak;
eenzame heer dier trotsche bergen, die hunne ystoppen
tot aen de wolken verheffen, vergeet Morigeau, (zoo is
zyn naem,) geenzins zyne pligt van christen. Dagelyks 's
avonds en 's morgens ziet men hem , omringd van zyn
klein huisgezin, godvruchtig zyne gebeden lezen.
Sedert vete jaren verlangde Morigeau eenen priester te
zien; wanneer hy vernam, dat ik het hoofd der Colombia
ging voorbytrekken, spoedde hy zich derwaerts, om aen
zyne kinderen en zyne vrouw het uitstekend geluk des
doopsels te bezorgen. Die gunst werd hun op den geboortedag der H. Maegd toegestaen, alsook aen de kinderen van
dry Indiaensche huisgezinnen, die hem in zyne verschil-
lende landverhuizingen volgen. Het was een plegtige dag
voor de wildernis! De verhevene offerande der Mis werd
er opgedragen; Morigeau naderde godvruchtig de H.
Tafel: zyne vrouw en zyne kinderen en tien kleine Indianen werden in de heilige wateren des Doopsels herboren:
de huwelykszegen had daerna aen den voet van den nede-
rigen altaer plaets. Ter gedachtenis van zoo vele weldaden
werd in de vlakte, van dien tyd af de vlakte der geboorte
genoemd, een groot kruis opgerigt.
PpfMMM
MViiHiV»
~«a_> ■ |.  ■!.■!■.
VAN   DEN   OREGON.
Ik kan mynen goeden Canadiaen niet verlaten, zonder
een loffelyk gewag van zyne keuken, inderdaed koning-
lyk ofschoon op zyn wilds, te maken. De eerste schotel,
welke men my aenbood, bevatte twee beerenpooten. —
Elders zou die spys eenigen afkeer hebben kunnen veroorzaken; men zou hebben kunnen gelooven, dat men
voor zich twee menschenvoeten had, zoo groot was dege-
lykheid. Een stekelverken, aen het spit gebraden, kwam
daerna ten voorschyn, vergezeld van eene elandsmuil, die
geheel den nacht gekookt had en waerlyk lekker was; ein-
delyk werd de groote ketel, die eene soort van Hotch-
potch of hutspot bevatte, in het midden der gasten ge-
plaetst, en elk trok er een stuk naer zynen zin uit: de edele
stukken van koeijen, van buffels, ribbetjes van herten,
steerten van castors, patfyzen, tortelduiven, een haes, en
eene krachtige soep.
Ik ben, enz.
J. De Smet. S. W< 106
MISSIEN
N° VIII.
i!
A.
M.
D
G'.
Aen den voet van het Croix de Ia Paix,
15 September 1845.
Monseigneur ;
ii
*:
ii
II
ff
, .
Den 9 namen wy afscheid van Morigeau en zyn huisgezin, alsook van zynemedejagtmakkers, de Sioushwaps.
Wy verlieten de oppervallei der Colombia langs een klein
pad, dat ons welhaest bragt aen eene naeuwe bergengte,
waerin naeuwelyks het daglicht, dat door reusachtige rotsklompen onderschept was, binnendrong. Het grootsche,
het verhevene, het schoone vereenigden zich, om hier de
zonderlingste en wonderlykste verzameling te vormen. —
Ofschoon de graeuwe granietsteen er heerscht, ontdekten
wy eene groote menigte porphyregraniet met witte aderen. Hier en daer in zyne verscheurde zyden en overal
waer men een handvol stof vindt groeit de trotsche en on-
sterfelyke pynboom en mengt zyn dof groen met de verschillende kleuren dier indrukverwekkende rotsen. Van
die paden met duizende bochten en kronkels vertoont
zich dikwyls een schilderachtig gezigt, een verrukkend
verschiet. Omgeven van reusachtige muren ziet men de
natuer in al hare heerlykheid voor de oogen de verschil-
lendste tooneden ontvouwen.
De wol-en cederboom
verheffen zich statig in die aloude en deftige bosschen;
de bevallige populier wiegt in de lucht zyne groene kruin,
die dikwyls golft onder de rukwinden van den loéijenden
rwï. ■ i i    i   im S«S*
16
JHMi VAN   DEN  OREGON.
107
storm, terwyl de onweegbare pynboom boven de punt-
achtige .rotsen zyne treurige en godsdienstverwekkende
schaduwen van zich yerspreidt. De berkenboom, opschietende uit eene aerde bedekt met mos, glinstert als eene
kolom van zilver en draegt zyne herfstbladeren, als een
gouden hoofdhulsel te midden van den hemelsblaeuwen
terpentyn- en den jeneverboom met zyne purpere bezien,
die hunnen geur in die vochtige bosschen en frissche val-
leijen verspreiden.
Na eene dagreis door die tooneeleneeneroorspronkelyke
natuer, kwamen wy op de boorden van de rivier der Arcs-a-
Plats, op de plaets, waer ontelbare stroomen, die met
onstuimigheid van al de zyden der bergen afrollen, zich
komen vereenigen om die trotsche rivier te vormen. Van
verre hoort men het doffe en gedurige geloei harer wateren,
die zich met eene ysselyke snelheid over een bed van rotsen wentelen. Wy trokken dezelve over, om den doorgang
van eene nog schroomelykere engte te gaen beproeven,
waer de wrateren van de Vermillon zich met geweld eenen
doortogt gebaend hebben. Alhier treft alles met verbaesd-
heid, alles is van eene woeste verhevenheid in die diepe
maer onrustige eenzaemheid. Q m%
Vooruitstekende bergen verheffen zich, gelyk aen torens en godsdienstige hoofdkerken, van waer de mensch
zich met den hemel kan onderhouden; van alle kanten
openen zich dreigende afgronden; het bedwelmende en
gedurige gedruis der loeijende en omzwervende wateren
bootst het gebulder van den storm na, wanneer hy woeIth
en toomeloos voortdryft gelyk de-stroom der vryheid.
Alhier stort de rivier zich met een groot geweld in eenen
kolk, waeruit zy welhaest schuimende wederkomt, haer
bed herneemt en dwars door het riet schynt te spelen;
daerna rolt zy van neêrstorting tot neêrstorting, van waterval tot waterval, makende in haren loop eene lange ry
van snelstroomen; verder, terwyl zy zich onder de dikke
fiiifÜihiÉi ii     i.. : 108
MISSIEN
schaduwen der ceder-en pynboomen verbergt, breidt zy
hare wateren, zoo glinsterend en helder als het kristal uit
in eene ruime kom, waerin zy een weinig schynt te rusten , om met eene nieuwe onstuimigheid haren orazwer-
Venden loop voort te zetten.
Luister! uit die ondoordringbare bosschen komt een
zoetluidend gerucht. Het is het geschreeuw van den edelmoedigen hert, die zyn paer roept; het is de eland, het
waekzaemste der dieren, die alarm schreeuwt; hy heeft
het gekraek van eenen tak gehoord, hy heeft den wind,
die hem van den jager toekomt geademd. — Een verward gedruis doet zich op de bergen hooren: de oogen
wenden zich naer de ystoppen en men ontdekt eenen
troep van rendieren, liggende op banken van sneeuw,
ontwaekt door de nabyheid van den mensch , zy vertrekken en in een oogenblik zyn zy verdwenen te midden dier
onnaekbare toppen. De reebokken komen van tyd tot tyd
hunne bevallige gedaente vertoonen ; zy verbergen zich, zy
huppelen: eensklaps staen zy, met opgestokene ooren als
punten van lanciën, stil, om te bespieden, daerna hernemen zy hunnen loop en dringen zy diep in het bosch. —
j» Geef acht op die ronde en witte vlekken op den top en
)> de zyden der rots, zeide myn leidsman, zy klimmen en
» dalen.» « Het is dan geen sneeuw, riep ik uit? » Het waren troepen van witte geiten: zy speelden , zorgeloos en
gerust, te midden dier ysselyke steilten, buiten het bereik
van den onbeschroomsten jager.
Een wanstallig dier, de gryze beer, die op onze bergen
den leeuw van Africa vervangt, houdt zich niet te vreden
te brullen en den vermetele te bedreigen, die den voet op
zyne bezittingen durft stellen; eene schroomelyke knarsing der tanden kondigt de uitbarsting zyncr woede aen.
Maer dikwyls beantwoordt hem eene welgcrigtekarabyn-
scheuten verpligt hem eene diepe buiging te maken; men
ziet hem alsdan in het stof rollen, in het met zyn bloed '"'>**
VAN   DEN   OREGON.
109
bevochtigd zand byten, en sterven. — Het scherpe geschreeuw van het panterdier, het gehuil van den wolf
zyn het gewoone muzyk der wildernis. — Men stoort
er zich weinig aen. —
De kleine haes der bergen, die slechts zes duimen groot
is en welker beschryving in de natuergeschiedenis nog
geene plaets gevonden heeft, vermaekt zich onder rotsstuk-
keri en doet eene buitengewoone snelheid blyken; terwyl
zyn nabuer, het luije stekelverken op een cypresboom |
welks schors het afknaegt, blyft stilzitten; het ziet met
een dom en onverschillig gelaet den doortrapten jager
aen, die het opspeurt om de lekkerheid van zyn vleesch
en wien het zeldzaem ontsnapt.
De vernuftige castor, waekzame bespieder, kondigt
zyn geslacht onze komst aen, door met zynen steert op
het water te slaen. Aenstonds dompelt de gemuskeerde rat
zich in hare poel; de otter verlaet zyn spel en kruipt op
den buik tusschen het riet; de vreesachtige eekhoren
springt van tak op tak, tot dat hy de digte kruin bereikt
heeft van eenen cypresboom, die hem tot schuilplae%
dient. De marter werpt zich van boom op boom en verbergt zich onder de bladeren. De siffleur, de pecan en de
>vesel nemen de wyk naer hun leger. De vos spoedt zicli,
en eene snelle vlugt alleen kan zyne witte pels behoeden;
eindelyk de bunsing, te ver van zyn verblyf verwyderd,
vroet door den zandachtigen grond en begraeft zicjjt geheel
levendig, om alle vervolging te ontsnappen ;imaer zyneryke
pels is bestemd om de lenden van den Indiaen te omgorden
en de vereenigde poogingen van twee mannen zyn naeu-
welyks genoegzaem om hem uit die schuilplaets te trekken en te dooden.
'S avonds voor het verlaten van de treurige doolhoven
dier bosschen, kwam een verrukkend vertoog ons vermaken. Wanneer het gezien wordt na eenen verwoestenden slag, vertroost deszelfs gezigt het bedrukte hert van
M 110
MISSIEN
den wilden krygsman. Van den top desbergs beschouwden
wy den dans der Manitous of der geesten en den ingang
der gesneuvelde krygslieden in het land der zielen.
Groote lichtkolommen van verschillenden glans, sehee-
nen in de hemelen te spelen en te wiegen: eenige onder
regtstaende gedaenten, andere gelykjaen golvende baren:
zy verbergden zich, daerna vertoonden zy zich herhaelde
keeren en onder verschillende gezigten, tot dat geheel de
gezigtcinder met de schitterendste klaerte verlicht scheen.
Al die lichten vereerilgen zich aen den zenith en scheiden
zich daerna onder menigvuldige-gedaenten. Het noorden-
licht is een verschynsd, hetwelk ik steeds met verwondering en vermaek beschouw. Al wTat men ziet, of hoort in
die ondoordringbare eenzaemheid, is tevens aengenaem en
leerzaem; alles treft, en verheft den geest tot den Schepper der natuer: Mirabilia opera Domini ! ! 1
Den 15, na vele dagen van vermoeienissen en zwarigheden, en na vele nieuwe redenen van verwondering,
trokken wy over den top des bergs, die de wateren der
Colombia afscheidt van die der Sascatshawin, de aloude
Rivier Bourbon vó$r de verovering van den Canada door
de Engelschen. Zy is de grootste tolrivier van het meer
Winnepeg; zy ontlast zich in de Baei d'Hudson door de
Rivier Nelson in den 58e graed Noorder breedte.
Aen de bronnen dier twee rivieren is het kruis geplant.
Moge het een teeken van zaligheid en vrede zyn voor al
de volkstammen, die ten Oosten en ten Westen over die
reusachtige bergen verspreid zyn! Op den cypres, die tot
het maken van het kruis moest dienen, was de arend,
zinnebeeld van den Indiaenschen krygsman gezeten. De
jager mikte op den zei ven en doodde hem; maer zelfs in
zynen val scheen de edele koning der vogelen al zyne
moedigheid te behouden. ?p H
Op den boord van een schoon klein meer, aen den voet
van het Croix de laPaix, namen wy ons ontbyt, Van VAN   DEN  OREGON.
111
waer ik de eer heb mynen brief te dagteekenen, Uwe
Hoogw. van mynen diepsten eerbied en opregtste achting te
verzekeren en in uwe gebeden die uitgestrekte wildernis
aen te bevelen, waer zoo vele kostbare zielen nog onder
het gebied van Satan zuchten.
P. J. De Smet. S. J H2
HfSSFKN
N° IX.
A,
M.
D,
G.
Legerplaets Assiniboin ,
26 september 1845.
Monseigneur ;
Eene steile afdaling geleidde ons welhaest in eene rykc
vallei, op eene aengename wyze geschakeerd door schoone
weilanden, trotsche bosschen, meeren, waerin de gemeene
en zalm-florellen in eenen zoo grooten overvloed zyn, dat
wy in den tyd van eenige minuten er genoegzaem met de
lyn vongen om ons eene heerlyke maeltyd te verschaffen.
De vallei is aen beide kanten bezoomd met eene keten van
schilderachtige rotsen, welker trotsche toppen, die zich
in de gedaente van pyramiden verheffen, zich in de wolken gaen verliezen. De vermaerde Egyptische gedenk teekenen van Chéops en Céphrène zyn niets meer, in verge-
lyking van die hooge en steile bergen om hunne reusachtige grootte. De natuerlyke pyramiden der Rotsbergen
schyncn al de wrerken van menschen uit te dagen. Zy
verstrekken tot steun aen de wolken, die erop komen
rusten en hun hoofd kroonen.... De hand des Heeren heeft
er de grondslagen van gelegd: hy beeft aen de hoofdstoffen toegelaten dezelve op te sieren ; zy verkondigen in
al de eeuwen zyne heerlykheid en almagt.
Den 18 september verlieten wy na dry dagreizen die
aengename vallei; het pad leidde ons over eenen berg,
welks steile top niet dan verbindernissen bybragt en voor WH(.MOT~,    i-I'"
r*m*mv
VAN   DEN   OREGON.
115
onze mannen en peerden de oorzaek was van een groot
aental kneuzingen. Gedurende zes uren moesten wy ons
eenen doortogt banen door de stukken van rotsen en de
verhindernissen van eenen onmeetlyken verbranden bosch,
waerin duizende boomen ter halve verbrand, de grond
op alle wyze bedekten: alle spoor van groeijing was verdwenen. Ik had nooit treurigere en akeligere overblyfsels
van eenen brand beschouwd.
Wy kwamen in den avond aen de boorden der Rivier
der Arcs of Askow ,en wy rigtten daer onze eenzame tent
op. Hier ontdekten wy de eerste voetstappen van een deel
wilden. Vyf dagen te voren hadden negen Indiaensche
hutten er gelegerd. Alles werd zorgvuldig onderzocht.
Waren het Pieds-Noirs? myn leidsman was van dat gevoelen : denzelfden dag hadden wy twee rookhutten zien
oprigten op den boord der vlakte, \velke die barbaren door-
loopen... Myne medereisgezellen schynen te aerzelen,
naermate wy in het land dier vreesselyke Pieds-Noirs
dringen. Eindelyk verhalen zy my hunne ongeluk voorspellende droomen en willen my van myn voornemen doen
afzien. De eene zegt: « Ik ben door eenen beer verslonden
i geweest in mynen slaep;» de andere: «Ik héb raven en
n gieren (vogelen van kwade voorteekenen) boven de tent
» van onzen vader zien zweven. » De derde « heeft bloed
| gezien. »
Ik vertoon hun op myne beurt, op het voorbeeld van
eenen myner waekzaemste en dapperste schildwachten
der woestyn, dat al hunne vooroordeelen en angsten maer
steunen op ydele droomeryen.
Dans les horreurs de la nuit sombre ,
Rien de plus sur , mes yeux ont vu
Des sauvages la méchante ombre ,
Qui par trois fois a reparu.
Plein de courage, je m'élance,
Ou plutót, je veux m'élancer,
j|;
V.  s.
8
tri
■•^W'
^"^fïïii'to
I •f
1
11
MISSIEN
Ouand du fer de sa longue lance
L'ombre accourut pour me percer.
Fidele au poste , aux armes ! aux armes!
L'Indien ! m'écriai-je, Tlndien !
Soudain le camp tout en alarmes
S'éveille et voit — QUE JE DORS BIEN.
Myne leidsmannen grimlagchen by dat verhael en
schynen te begrypen, welk belang ik stel in die soorten
van droomen. « Dat er van kome, wat er wil, zeggen zy,
wy zullen uniet ve7~laten}4ot dat wy u in veiligheid zien.»
Ik verlangde niets meer.
Ik kan my echter niet bedriegen: ik ben eindelyk in
die landstreken, het tooneelvan zoo vele bloedige vertooningen, naby die barbaerschc volken en vyanden der
blanken, van waer ik misschien nooit zal wederkeeren. In
zyne toomelooze woede op de tyding van eenen gedooden
bloedverwant brengt de Pied-Noir uit grilligheid den
doodelyken slag toe aen den eersten vreemdeling, wien hy
ontmoet, stroopt hem de haerpels van het hoofd en laet
de wolven en honden de rillende leden over van het
ongelukkige slagtoffer, hetwelk hy aen zyne wraek, ha et
en bygeloovigheden offert.... Wat zal er van my worden?
Duizende ongerustheden, ik beken het, maken zich van
my meester; de arme natuer, die brooze en vreesachtige
meus homo, ontstelt zich somwylen; hy zou achterom
willen zien en naer droomeryen luisteren. — Myne verlangens stuwen my voort en roepen my toe: Voorwaerts!
Ik stel al myn betrouwen op God. — De gebeden van zoo
vele broeders en zoo vele goede zielen moedigen my aen
en versterken my. Ik zal my door geen onzeker gevaer
laten tegenhouden. — De Heer weet wel, wanneer het
hem behaegt, die wreede en onmeedoogende herten te
verzachten. Er hangt de zaligheid der zielen, het behoud
der Missie van Ste Marie van af, waerin de invallen der
Pieds-Noirs zoo menigvuldig zyn. Welke andere bedenk ing mjBBSmymjSm:
VAN   DEN  OREGON. 115
zou my van een ontwerp kunnen doen afzien, hetwelk ik
in myn hert sedert myn eerste bezoek op de Rotsbergen
gevoed heb?...
Den 19 en 20 volgden wy de voetstappen van onze
onbekende vooruitgangers(en wy vonden dezelve verscher
en verscher J Ik zond myne twee geleiders ter ontdekking
uit, om den grond te onderzoeken en te vernemen, met
wie wy gingen te doen hebben. De eene van hen kwam
tegen den avond met de nieuwstyding weder, dat zy eene
kleine legerplsfëts van Assiniboins der bosschen gevonden
hadden; dat zy er zeer wel van ontvangen waren; dat eene
ziekte, waervan twee personen weinige dagen te voren
gestorven waren, onder hen heerschte en dat allen een
groot verlangen betoonden om my te zien.... Wy kwamen
's anderendaegs by hen, om gedurende eenige dagen te
reizen in hun gezelschap.
De Assiniboins der bosschen zyn slechts een vyftigtal
hutten of huisgezinnen, verdeeld in vele benden. Men ziet
hen zeldzaem in de vlakten; het bosch is hun element en
zy onderscheiden zich als jagers en krygslieden op eene
merkweerdige wyze. Zy loopen over de bergen en door de
bosschen volgens de verschillende engten en de verscheidene armen der bronnen der Sascatshawin en Athabasca.
De landbouw is by hen niet gekend; zy leven uitsluitend
van kleine dieren, zoo als van schapen, geiten, reebokken
en vooral stekelverkens, van wdke dat land krielt. Wan-
neer de honger hen drukt, nemen zy hunnen toevlugt tot
de wortelen, tot graen en den binnenschors der cypres-
boomen; zy hebben weinige peerden en doen al hunne
reizen te voet en by kleine halten.... Van den vroegen
morgen gaen al de jagers vooruit en hangen aen de boomen
langs den weg de vrucht van hunne jagt. Hunne arme
vrouwen of „laet ons liever zeggen, hunne slavinnen, die
dikwyls twee kinderen óp haren rug hebben en vele andere, welke zy na zich slepen, volgen langzaem de voet-
,'#•••
M ram
WBLW
mmmmgmsoKa
116
MISSIEN
stappen harer mannen en vergaderen in het voorbygaen
hetgeen deze gedood hebben yky geleiden eene lange ry
van honden, met geheellhaer klein huisgerief en voorraed.
Elk huisgezin bezit er eenen troep van zes tot twaelf; elke
hond kan 30 tot 50 pinden dragen... Het zyn zonder
tegenspraek de diere#J welker bestaen het ongelukkigste
is; zy ontvangen van huntae liefdadige meesters en meesteressen meerdere Stokslagen dan stukken om të eetfen.
Die honden zyn de \ behendigste en onverbeterbaerste,
dieven, welke men in x|e bosschen aentreffen kan. Eiken
avond moet men noodzakdyk al wat men bezit, aen boomen hangen of het buiten het bereik stellen van die verslindende en verhongerde dieren; wat meer is, men moet
zich voor den nacht in zyne tent verschansen en dezelve
met takken omgeven; want al wat leer is en al wat tot
een levend wezen behoort, die looze schelmen slepen het
wég en verslinden het.... Ik behandel dezelve weinig liefdadig , zult gy my zeggen; wees er niet over verwonderd.
ZeÖeren avond had ik veronachtzaemd eene verschansing
rondom myne tent op te rigten.AVel nu! 's morgenslbe-
vondi&ik my zonder schoenen, zonder kraeg aen myne
toog en eene pyp minder aen myne lederen broek.
De overste van die kleine kamp verhaelde my, dat de
voorgaende winter een man van zyn volk, tot het uiterste
gebragt (en die gevallen zyn niet zeldzaem), zijne vrouw
en zyne vier kinderen de eene na de andere had opgeëten.
Het monster trok daerna diep in het bosch, zonder dat
men heeft kunnen weten wat er van hem geworden is....
M. Bolduc, Missionnaris van den Orêgotr, vêrhaelt in zyn
dagboek, dat hy te Akéna, een der Gambische eilanden,
eene oude vrouw zag, die van de acht mannen, welke zy
gehad had, dry in eenen tyd van schaersheid had opgeëten. Ik had deze laetste daedzaek aen, om de andere
zyde van die treurige en schromelyke medaillie te toonen.
De Assiniboins hebben den naem onder hunne naburen. VAN   DEN   OREGON.
117
van twistachtig, babbelaers en wangunstig \$ zyn; om
die kwade hoedanigheden zyn de stryden en moprderyen
onder hen gemeen, en daeruit al de verdeeldheden in dien
kleinen volksstam... Alle avonden onderwees ik hen door
eenen tadman; zy kwamen my buigzaem genoeg voor,
schoon een weinig beschroomd; want zy waren dikw$J$
bezocht geweest door personen, die (|e priesters en den
godsdienst beschimpt en gelasterd hadden? Ik bewees aen
hunne zieken al de kleine diensten, die in myn vermogen
waren; ik doopte zes van hunne kleine kinderen en eenen
stervenden grysaerd, die maer twee dagen na zyne
geestelyke herboring geleefd heeft en met de gebeden en
al de plegtigheden der kerk begraven Js^i
De nettigheid vindt geene plaets onder de huis$elyke
deugden van den Indiaen: onder deze betrekking toonen
de Assiniboins eene nog duiddykere onverschilligheid en
onwetendheid, dan iemand hunner naburen: zy zyn zoo
vuil, dat men het niet zeggen kan: het ongedierte verslindt
hen en zy verslinden het ongedierte. Een wilde, wiej|^
uit scherts over die soort van wreedheid berispte: «Schaemf
gy u niet, zeide ik hem, van die arme diertjes te byten?
— Zy hebben my het eerst gebeten; ik heb regt van*
» wederwraek te nemen, » was zyn antwoord.
Op zekeren dag was ik uit inschikkelykheid by hun
gastmael van het stekelverken tegenwoordig: het was om
de onverzadigste en verhongerdste maeg te doen walgen.
By gebrek aen tafellaken en schotelen, werden de huiden
hemden van eenige gasten, blinkende van smerigheid en
waerin (vergeef my de weinig aengename schildering) de
heeren luizen krielden, in een oogenblik uitgetrokken en
op den grond gespreid: het was op die schotel, dat men
het vleesch in stukken sneed en verdeelde; op zyne beurt
verstrekte het hoofdhaer tot servetten, wanneer men de
handen moest afvagen. De,vyyl het stekelverken van zyne
natuer eenen sterken en onaengenamen reuk heeft, kan
»
M
mmmfmmm*&&*r,. uu m **» %■■
»»»^^'%iw*^>^^»5p»
»iaiw ■tof
ÏH n
MISSIEN
men hen naeuwelyks verdragen, die zich met zyn vleescK
voeden en hun ligchaem met zyn vet stryken.... Eene
goede oude vrouw, met het aenzigt geheel met het bloed
van dat dier besmeurd (want zy was in den rouw), bood
my eene houten schotel vol soep aen: de lepel, een hoorn
van een schaep, waervan ik my bedienen moest, was vuil
en overdekt van vet, maer zy had de beleefdheid van den
zelven af te lekken, alvorens dien in myne soep te steken.
Indien een stuk gedroogd vieesch of al wat voor de keuken
bereid wordt, noooigjieeft gezuiverd te worden', vult de
keukenmeid de mond met water en spouwt het met kracht
op die verschillende voorwerpen uit.... Een gerecht dat
voor het lekkerste onder de Indianen gehouden wordt,
wordt op eene zonderlinge wyze toebereid en zou waer-
lyk een brevet van uitvinding verdienen: de vrouwen
alleen houden er zich mede bezig. Eerst bewerken zy met
vuile handen het bloed eens diers; daerna doen zy dat
bloed, gemengd met water koken; eindelyk vullen zy met
vieesch en vet, gehakt, maer met de tanden gehakt, den
ketel: dikwyls zyn eene halve dozyn oude wy ven geheele
uren met de toebereiding van dat zonderling kooksel
bezig: zy kaeuwen en herkaeuwen eiken mondsvol, het
geen zy daerna in den ketel werpen om het vermaerde
haksel of de frikkedellen der Rotsbergen te maken. Voeg
by dat alles, voor nageregt, eene groote schotel vol pastei
korsten, gemaekt van mieren en springhanen, onder
elkander gestooten en in de zon gedroogd en gy zult byna
de lekkernyen eener Assiniboinsche tafel kennen.
Het Amerikaensch stekelverke (de Histrix dorsata)
wordt dooreenigehedendaegschenatuerkundigen de stekel
castor genoemd. ïnderdaed, dietwee dieren gelyken elkander onder vele betrekkingen: zy zyn van dezelfde grootte,
van dezelfde gedaente en bewoonen dezelfde landstreek;
beide hebben aen het uiterste van elk kakebeen twee
lange, sterke, scherpe en snydende tanden. Het stekel- mmm
*m
VAN   DEN   OREGON.
119
verke als ook de castor heeft een dubbel haer: het eerste
is lang en zacht en is gelyk aen het dons en de vilt; zyne
stekels zvn kort en schier met haer overdekt.
De Têtes-Plates noemen het stekelverken den broeder
van den castor en verhalen, dat die twee dieren oudtyds
vriendschappelyk leefden; maer dat de zorgeloosheid en
luiheid van het eerste, alsook zyne groote afgekeerdheid
van het water, menigmael hebben bygedragen om hen
aen hunne gemeene vyanden te doen ontdekken, en dat
de castors, in den raed vergaderd, met algemeene stemmen
zich tegen de vereeniging verklaerden.. .Decastorsmaekten
zich eenen schoonen dag ten nutte en noodigden hunne
stekelachtige broeders om eenen langen togt onder de
jenever en cypresboomen te doen. De zorgelooze luijapds
vulden er hunnen buik met de topjes der takken van den
eersten dier boomen en met de Jeedere schors van den
anderen; zy strekten zich daerna op een bed van mos uit
en vielen in eenen langen en diepen slaep. Het was het
overeengekomen tydstip voor het vertrek der waekzame
castors en voor hunne scheiding van die zorgelooze stek el-
verken s. m
De Assiniboins der vlakten zyn grooter in getal, dan
hunne medebroeders der bosschen en tellen meer dan dry
honderd hutten. Zy zyn ryker in peerden en de mannen
zyn in 't algemeen sterker en schooner. Zy zyn tevens
grootere dieven en drinkers en altoos in oorlog of op de
jagt der buffels. Zy doorloopen de groote vlakten, gelegen
tusschen de rivieren Sascatshawin, de Rivière Rouge, den
Missouri en de Roehe-Jaune. Hunne grootste vyanden zyn
de Corbeaux, de Pieds-Noirs, de Arikaras en de Scioux.
Zy spreken byna dezelfde tael als die laetste en komen
van den zelfden stam voort.
Ik ben, enz.
ff*
P
P. J. DE SMET. S. J.
y*'' »*lipwii»ii>.i.ii.toi,.i»a»*rM mi m» «HM —■ "■UTtilfri-i ,^>''iiij»^7«Fi
WmtMi»Jjib-*" ■*■**
120
MISSIEN
N° X.
A.
M.
D
G
Fort der Montagnès 5 october 1845.
m
c
Monseigneur ; mk
Wy reisden verscheidene dagen met de kleine kamp der
Assiniboins; maer het gezigt des lands bood niets zeer
belangryks aen. Wy trokken van de eene vallei in eene
andere, altoos tusschen twee hooge ketenen van steenachtige bergen, welker zyden hier en daer overdekt zyn
met banken van altyddurenden sneeuw. Eene schoone fontein kwam alleen de eentoonigheid van onzen wreg onderbreken : zy stortte uit het midden van eene regtstandige
rots op eene hoogte van ongeveer 500 voeten, daerna viel
zy in de vlakte als schuim en reeen.
Den 27, scheidden wy ons van de Assiniboins. Het pad
leidde ons welhaest dwars door een digt bosch van cypres-
boomen: men zeide my, dat het het laetste was; dus Deo
gratias. Die soorten van bosschen zyn zeer menigvuldig
en vormen in dat deel tusschen het Oosten en het Westen
der bergen, schier onoverwinbare verhindernissen voor
de zamenhandelingteland.... Ik moet u eenen raed geven
in het geval, dat gy zelf die streken komt bezoeken.... By
den ingang van elk dier digte bosschen, inoet gy uw kleed
toeknoopen, u zoo dun, zoo kort, zoo rank maken als het
mogelyk is; gy moet u buigzaem te peerd houden, in de
omstandigheid de verschillende bewegingen van eenen
dronken  ruiter nabootsen;  maer met behendigheid en
KKK
SsüSiv VAN   DEN   ORÉfcON. 121
tegenwoordigheid van geest: ik wil zeggen, dat gy moet
weten u heen en weer te slingeren, u op uw peerd op alle
wyze vast te houden om de ontelbare takken te-ffcrmyden,
die by eiken voetstap de kleederen verscheuren, het aen-
zigt en de handen ontvellen. Ondanks die voorzorgen, is
het zeldzaem van uil-het bosch te komen, zonder hetzelve
den doortogt betaeld en eenige pluimen achtergelaten te
hebben. Op zekeren dag bevond ik my in eenen neteligen
en zeer zonderlingen toestand: ik moest langs eenen boom
doortrekken, die geheel helde over het pad dat ik volgde;
een zyner takken, aen het uiterste gebroke#, to#hde eenen
drygenden haek. Om denzelven te vermyden, strekte ik
my uit op den hals van myn peerd, maer ydele voorzorg:
ik werd gevat by de kraeg van myn bovenkleed; en,
dewyl myn peerd met eenen snellen stap voortging, bleef
de ruiter in de lucht hangen, die met handen en voeten
spartelde als een visch aen den angel..,. Vele aenzienlyke
stukken van myne toog, die als zoo vele vaendels ia de
lucht wapperen, zullen langen tyd mynen doortogt aen
het binnenste dier bosschen herhalen.... Een doorboorde
en verscheurde hoed, eene blauweoog, twee grootekrabben
op eene wang zouden my in de beschaefde wereld eerder
het voorkomen van eenen voorvechter, die uit het zwarte
bosch komt, gegeven hebben, dan van eenen Missionnaris.
Om een bosch kwaedwillig en ten uiterste kwaedwillig te
maken, is een dikke sneeuw noodig: die gunst werd ons
overvloedig toegestaen in den laetsten doortogt. Wee dan
de vooruitgangers! De takken zuchten onder het witte
rouwkleed; des winters schynen zy de zinspreuk : Si tan-
gas, frangas (raekt gy my, breekt gy my), te dragen. En
gewis, by elke wryving van den hoed, by de minste aen-
rakingvan den arm of het been, overdekt eene vlaeg, of
om my van de uitdrukking des lands te bedienen, eene
sneeuwpoeijering den ruiter en zyn peerd, en aenstonds
heft de tak zich trotschelyk omhoog even als om met hem
\mi "'»NimlH'*'rn 1 iW>*1» "V»H*'"1i'.ri|i.i» ^iVTiTWw^tplH^iwil^WWIIMlTlOilHii " üsrirmnwiifi
mm
MISSIEN
den spot te houden.... Men kan dus in die omstandigheden
niets beter doen, dan de achterroede te vormen en in de
voetstappen zyner vooruitgangers te treden; men vindt
den doorgang vry er en zonder sneeuw. Onderwegen ontfc
dekten wy den 27, op eene der waterloopen derRivière aux
Daims (Ïled-Qeer) zwavelachtige fonteinen, die eene groote
hoeveelheid zwavel voortbrengen, en eene kolenmyn, die
my zeer ryk voorkwam. Ik zal hier in het voorbygaen
zeggen, dat de steenkolen ten westen der Rotsbergen op
de wateren vah^Jen Missouri en van de Roche-Jaune van
de Sascatshawin en de Athabasca overvloeijen. De salpeter
wordt in verscheidene deden der bergen. gevonden; het
yzer ontbreekt er niet; van het lood des lands der Koetenais
heb ik u gesproken. De naem der Rivier by de kopermyn,
geeft haren rykdom te kennen; men ontdekt in de rotsen,
die de rivier bezoomen, stukken van kostelyke bergstoffen.
Het zout vindt men in overvloed in het land Serpent. 1
De vallei, waervan ik u kom te spreken, is eng , maer
zeer schilderachtig en geschakeerd; verscheidene troepen
van)schapen en geiten, welke men zich zag vermaken op
dezvde der rotsen, kwamen de schoonhdd van het tooneel
vergrooten. He$$,voetspoor der beeren en buffels was er
zeer menigvuldig. Op het zien van dat laetste, kregen
myne mannen moed; want het vieesch van den buffel is
zonder tegenspraek het lekkerste dier streken; nooit
krygt men er eenen afkeer van. Tot dien dag hadden al
de dieren van den berg mildadig in onze noodwendigheden
voorzien: de jager had er achttien gedood, zonder het
gevogelte en de visschen te tellen, die in die landen overvloedig zyn. Den zelfden avond by het avondmael verdwenen de laetste overblyfsels van onzen voorraed en men
stdde voor eene jagt op de buffels te ondernemen. 'S
anderdags geheel vroeg vertrok de jager en welhaest zagen
wy onzen man met eene dikke vette koe aenkomen. Terstond vereerden de ribben, het ingewand en de bogchel
._■ -i"-;?^!^vT>. T mmm
0#m
mmm
'»W1IH
VAN  DEN  OREGON.
123
het vuer met hunne|pg£nwoordigheid.... De dag werd
besteed om nieuwen voorraed op te doen....
Den 30, vervoorderden wy onze reis door de vallei
waerin de waterloopen der Eau Claire kronkelden. Zy is,
gelyk al de valleijen ten oosten der bergen, aengenaem
geschakeerd door weilanden, meeren en bosschen... De
vallei wordt ruimer naermate men afdaelt: de rotstoppen
verdwynen, de bergen verkleinen zich en schynen weg te
zinken; sommige zyn tot aen hunne toppen toe overdekt
met bosschen ; andere vertoonen u kegelvormige spitsen,
verhevene en effene plaetsen, versierd met eene ryke groene
opwassing.
De 3 October, na negentien dagen langs de bergen gereisd te hebben, om de Pieds-Noirs te zoeken, kwamen
wy in de Grande Plaine, in dien oceaen van weilanden,
bewoond door eene menigte van omzwervende volksstammen , die in de domste bygeloovigheden begraven liggen.
De Pieds-Noirs, de Corbeaux, de Serpents, de Aricaras,
de Assiniboins der vlakten, de Sheyennes, de Camanches,
de Scioux, de Omahas, de Ottos, de Pawnées, de Kants,
deSaucs, de Ajouas, enz. enz. zyn zonder Herders! Wy
hopen, dat de goddelyke bermhertigheid het tydstip niet
verwyderd houdt, waerin de duisternissen, Welke die
oneindige landstreken nog beschaduwen, voor het weldoende licht van het Evangelie plaets zullen maken;
weerdige en yverige herders, vol van de goddelyke liefde,
die de arme en ongelukkige kinderen der wildernis in den
weg der zaligheid zullen komen bestieren. Daj§r waer de
duivel, gedurende zoo vele eeuwen geheerscht heeft, en
de krygsgezangen en het moordgeschreeuw nimmer opgehouden hebben te,weergalmen, daer, wy hopen het, zullen
welhaest op hunne beurt de vrede en de christelyke liefde
heerschen en men zal er den lof van denwaren God zingen.
Een weerdige en yverige Bisschop, Mgr van Juliopolis,
heeft zynen bisschoppelyken zetel geplaetst op de Rivièrc
*
sr^-fr.-T'
-■'-■ >■... 7 'MISSIEN
Rouge, tolrivier van^het meer Winnepeg, temidden der
Engelsch-ïndiaensche  bezittingen.   Reeds  hebben   twee
yverige missionnarissen, MM. Thibault en Bourassa, tot aén
de voeten der Rotsbergen doorgedrongen, terwyl andere
priesters sedert vele jaren gebruikt zyn, om het ryk des
Heeren op al de punten van zyn onmetelyk bisdom uit te
breiden.JDe bevolking der Rivière-Rouge alleen is ongeveer van5500 zielen, van welke 3175 catholyken...Er zyn
730 bewoonde^uizen. Ziehier het uittreksel van eenen
brief, welken ik\de eer had van M. Thibault by myne
aenkomst   in   die streken  te   ontvangen.  «   Sedert de
maend Maert tot aen de maend September van dit jaer
heb ik gearbeid onder den volksstam Montagnèse (eene
bende van Obj ibbeways), die geheel en al bereid is om
het geloof te omhelzen. Ik zou u geen beter denkbeeld
der goede gesteltenissen van dat goede volk kunnen
geven, dan met hen by de Têtes-Plates te vergelyken.
Ik heb byna 500 kinderen en bejaerde lieden in den loop
dier missie gedoopt. Zoohaest er middel zal zyn om in een
bootje te reizen, zal ik mynen arbeid onder die goede
wilden voortzetten en myne omreizen tot aen de rivier
Mackenzie uitstrekken.... Verscheidene goede priesters
zouden genoeg vinden om zich aen dien kant bezig te
houden; want het volk, waervan ik u spreek, is zeer
talryk en beslaet een oneindig land; zonder te rekenen,
dat er vele andere volksstammen zvn, welke ik de ee-
legenheid heb gehad dezen zomer te ontmoeten. « | Kom
dan by ons, hebben zy my gezegd, wy ook, wy zullen
vergenoegd zyn de nieuwe tyding te vernemen, welke
gy aen  onze nabestaenden der  Montagnès komt  te
brengen; wy ook, wy verdienen medelyden, dewyl wy
het woord van den Grooten Geest niet kennen. Bewvs
ons dan liefde: kom ons den wegdeslevens leeren kennen;
wy zullen u aenhooren. » » Myn beminde medebroeder
Bourassa is in September vertrokken om het Evangelie
te gaen verkondigen by de Rivière a la Paix. » mm
VAN   DEN   OREGON. 125
Van het meer Sle Anne of Manitou, het gewone verblyf
dier twee Heeren, strekken zy hunne Apostelyke omreizen
uit onder de verschillende volksstammen op de rivieren
Athabasca, Mackenzie, de Rivière a la Paix en het groot
Lac des Esclaves. Op de grenzen, die tot nu toe doorloopen
zyn, vindt men eenige Pieds-Noirs, Cries, Assiniboins der
bosschen, Montagnès, Gens de Castor, Plats-Cótés de
Chiens, de Tribu des Esclaves en de Peaux de Lièvres.
K Het groote ïndiaensch regtgebied der Vereenigde Staten
is, om zoo te spreken, alleen ontbloot vangeestelyke hulp
en middelen van zaligheid. Het bevat vele honderd duizende wilden.... Dat uitgestrekte grondgebied heeft voor
grenspalen ten noord-westen de Engelsch-Indiaensche
bezittingen, ten oosten de Vereenigde Staten, ten zuiden
den Texas en den Mexico, ten westen de Rotsbergen. Het
bevat een groot getal schansen of handel-huizen, waerin
het meestendeel der gehuerde jagers catholyke Canadianjgn
en kreolen der Staten zyn. De voornaemste dier standplaetsen zyn: de schans Corbeaux op de Roche-Jaune, d#
schans Laramée op eene der waterloopen der Rivière-Plate^
de schans Ossage, op eenen arm dier rivier. Op den Missouri: de schans Pied-Noir, aen den ingang der ri|$cr
Chantier; de schans Union, naby de monding der Roche-
Jaune; de schans Mandan; de schans Pierre, aen de
monding der kleine Missouri; de schans Vermillon, aen d%,
monding dier rivier; de handelhuizen onder de Potowoto-
mies van Council-Bluffs en van Belle-Vue.
Het is te S* Louis, dat men het groot magazyn gebouwd
heeft, dat aldic standplaetsen bezorgt en er de pelteryen
en buffelshuiden van ontvangt.... Mgr Loras, Bisschop van
Du Buque heeft twee priesters onder de Scioux gezonden,
op de rivier Sl Pierre, die eene tolrivier der Mississippi is.
De Paters der Sociëteit Jesu, gevestigd te S* Louis, hebben
eene missie geopend op de Sugar-Creek, die haer water in
de rivier Ossage onder da Potowotoraies uitstort. Dry 126
MISSIEN
Paters der Sociëteit en vele Broeders houden er hun verblyf
en van daer doen zy uitloopen in de nabuerschap onder de
verschillende stammen... De zusters van het Sacré Cceur heb-
er een huis voor de opvoeding der dochters ingerigt....
Die twee missien, die van elkander verwyderd zyn, bevinden zich naby de grenzen der Vereenigde-Staten en zyn
de eenige in geheel dat uitgestrekt grondgebied. De Haut-
Missouri en al zyne waterloopen tot aen de Rotsbergen
zyn zonder geestelyken bystand; echter overal, waer de
priester is doorgetrokken (ik heb viermael die wildernis
■ doorkruisd), is hy met opene armen ontvangen door de
arme en ongelukkige bewoners, welke die streken, helaes!
zoo langen tyd vergeten en veronachtzaemd, doorloopen.
In den avond van den 4 October kwam ik aen de schans
der Montagnès, die aen de achtbare handelmaetschappy
der Baei d'Hudson toekomt, zonder het doelwit van myne
reis en myne verlangens, de ontmoeting der Pieds-Noirs,
te hebben bereikt.
De gouverneur der schans, M. Harriot, Engelschman
vaii geboorte, is een der beminnelykste edellieden, wien
ik immer het geluk heb gehad aen te treffen. Hy noodigde
den armen catholyken en vreemden missionnaris, hy ontving
hem in zyne vastvrye schans met eene broederlyke beleefdheid en gulhertigheid, hoedanigheden, die al de Heeren
der Handelmaetschappy dTIudson onderscheiden. Ofschoon
hy protestant is, moedigde hy my aen om de Pieds-Noirs,
die welhaest aen de schans zouden komen, te bezoeken; hy
beloofde my al zynen invloed te gebruiken by die barbaren,
onder welke hy een groot getal jaren doorgebragt heeft,
om my eene goede ontvangst te bezorgen. Echter verbergde
hy my de groote zwarigheden en gevaren niet, waeraen
ik weldra zou blootgesteld zyn. « Wy zyn in de handen
des Heeren. Dat zyn heilige wil vervuld worde. f
Ik ben enz.,
P. J. De Smet. S. J. ii m iWiüitiTi. nm*~mmmmi
VAN   DEN   OREGON.
127'
N<\ XI.
A.
'ML
D.
G.
Schans der Montagnès, 30 october 1845.
Monseigneur
Eene bende van ongeveer twintig Cries, gelegerd naby
de schans, kwamen my hertelyk de hand drukken. De
blydschap, welke myne tegenwoordigheid hun scheen te
veroorzaken, kondigde my voorloopig aen, dat ik de eerste
priester niet was, wien zy zagen. De meesten droegen ook
medaillienen kruissen. Zy gaven my te kennen,dat zy ook
het geluk hadden van eenen Robe-Noire (M. Thibault) te
bezitten, die hen den Grooten Geest had leeren keftpen' pn
dienen en die al hunne kleine kinderen gedoopt had, uitgenomen dry, die alsdan afwezig waren.f Zy werden my
aengeboden. Ik diende hen alsook eenen myner leidslieden
het Sacrament der Herboring toe... Ik onderwees hen
menigmael gedurende hun verblyf by de schans.
Twee Cries derzelfde bende en van het zelfde huisgezin
vader en zoon waren twee jaren te voren in eenen twist
gedood. De tegenwoordigheid der moordenaers verwekte
by die barbaren dien geest van vyandschap en wraek, zoo
eigen aen het hert van den Indiaen en welken de chrfste-
lyke godsdienst alleen bekwaem is te verzoeten. Men had
alle reden van de kwade gevolgen van dien ouden twist te
vreezen; de twee partyen waren voor de eerste mael in
elkanders tegenwoordigheid, sedert dat de moorden bedreven waren. Èet de bewilliging van%. |Srriot/ueed^|f
m BKSSESS»
128
MISSIEN
ra
■m
l¥f    V
hen allen in de schans vergaderen; de gouverneur zelf
geweerdigde zich my tot taelman te dienen; ik sprak hen
langen tyd over de pligten en de noodzakelykheid eener
opregte verzoening; de zaek werd onderzocht; elke In-
diaen nam het woord op, en zy spraken met eene gematig-
heid en gezonde rede, die my zeer verwonderden. Ik had
de voldoening en het vermaek van den Calumet (vrede-
pyp) van mond tot mond te zien overgaen.... « Het is het
plegtig verbond» van den vrede! Het is het zinnebeeld der
Indiaensche brèederlyke, vriendschap! Het is de stelligste
beslissing der vergetelheid en der opregte vergiffenis eener
beleediging ! |||
De Cries zyn een magtige stam en maken meer dan zes
honderd hutten uit. Zy zyn de vreesselykste vyanden der
Pieds-Noirs en overweldigen langzamerhand het grondgebied hunner vyanden. Het vorige jaer ontnamen zy hun
meer dan zes honderd peerden. De streken des lands,
welke zy nu doorloopen, strekken zich uit van beneden de
Rotsbergen tusschen de twee stroomen der Sascatshawin
tot^aen deRivière-Rouge. Hunne woelige en oorlogzuchtige
geest, hunne begeerte om te rooven en te steden vooral
peerdjen^ deze zyn de grootste beletselen, die de bekeering
van het grootste deel diens volkstams vertragen. Het voorbeeld hunner medebroeders, die met buigzaemheid naer
het woord van hunnen yverigen en onvermoeiden missionnaris luisteren, zal op zynen tyd vruchten voortbrengen
en, gelyk ik hoop, door geheel den stam gevolgd worden.
Het verhael van hetgeen er onlangs onder hen is voorgevallen , zal u een denkbeeld geven van de wyze, hoe zy
oorlog voeren en van de diepe bygeloovigheden, waerin
dit arme volk nog begraven ligt.
De Cries waren voornemens eenen vreesselyken slag aen
de Pieds-Noirs toe te brengen; zy vergaderden tot dat
oogmerk al hunne magt ;zy beliep tot meer dan acht honderd
krygslieden, en alvorens in de vlakten te trekken om den
«■*■*
mm VAN  DEN  OREGON.
129
vyand op té sporen, nam men zynen toevlugt tot al de
middelen der toovery, om zich den goeden uitslag van
den veldtogt te verzekeren. Er werd besloten, dat eene
jonge dochter, met de oogen geblind, aen het hoofd van
het Indiaensche leger zou geplaetst worden en , in dien
staet, tot aenleidster aen de krygshelden zou dienen. In
geval van goeden uitslag, werd de heldin bestemd om de
bruid van den dappersten der krygslieden te worden.
Volgens de voorzeggingen van hunne guichelary mogt de
groot-overste alleen haer alle avonden schoeijen en ont-
schoeijen... Zie daer het leger is op marsch; de krygslieden, dronken van betrouwen en verwaendheid, loopen
met onstuimigheid in de vlakte en volgen hunne wonder-
lyke aenleidster: zy trekken over bergen en door dalen,
door holle wegen en moerassen. Heden rigt zy hare
schreden naer het noorden, morgen naer het zuiden of
westen; er is niet aengelegen werwaerts: de Manitou
des oorlogs werd geoordeeld haer te bestieren , en de Cries
volgen steeds blindelings de geblinde Indiaensche dochter.
Reeds waren zy zeer ver in de vlakte gevorderd, wanneer
eene bende van zeven Pieds-Noirs hen ontdekte. Die
laetsten zouden onder begunstiging van den nacht hebben
kunnen ontkomen, maer het hoofd of de kapitein Pied-
Noir, een dappere en onverschrokke man, besloot aen die
vreesselyke magt het hoofd te bieden. Met behulp van
hunne zoogenaemde breede messen delfden zy een gat om
zich te beschutten. 'S anderendaegs by het aenbreken
van den dag omringden de acht honderd krygslieden hunnen zwakken prooi; de yverigste om hen uit hunne
schuilplaets te doen verhuizen, werden herhaelde keeren
teruggedreven met een verlies van zeven mannen en
vyftien gekwetsten.... Het gebrek aen krygsvoorraed
leverde de Pieds-Noirs aen de willekeur der Cries over,
die hen in stukken kapten.... Die eerste ontmoeting
vervulde het groote leger met schrik; want ook zy had-
V.   M. 9
il
m
IM
Uil 130
MISSIEN
u
f!
den zeven dooden en vyftien gekwetsten. Alsdan ontbond
men de jonge heMin; de Manitous, welke zy eerst zoo
gunstig geloofd hadden, werden alsdan wangufetig aen
de ontwerpen des oorlogs geoordeeld: de krygslieden vertrokken met groote verwarring en zonder orde en spoedden zich door den kortsten weg naer hunne haerdsteden.
De Cries hebben een zeer zonderling gebruik, en geheel tegenstrydig aen dat van andere volken. Zy bestry-
ken het aenzigt der krygslieden , die in den stryd gebleven zyn, met vermiljoen en tooijen hen op met hunne
schoonste versierselen; zy leggen ze daerna op de plaet-
sen, waer zy het ligtelykste van hunne vyanden gezien
wrorden. Zy plaetsen aen hunne zyden hun geweer, hunnen boog en hunne pylen, om te kennen te geven dat zy
niet als laf hertigen gestorven zyn en opdat zy in stukken zouden gekapt worden , hetgeen de vyanden nimmer nalaten te
doen; het is voor de krygshelden der Cries de grootste
roem... De andere véjlken nemen in tegendeel de doode lig-
chamen weg en verbergen dezelve, om dezelve aen de
roofzueht en wreedheid hunner vyanden te onttrekken.
In stukken gekapt te worden, zelfs na de dooS*, wordt
onder hen voor eene groote schande gehouden.
De Cries en de Sauteuk zyn bondgenooten en door
onderlinge huwelyksbanden vereenigd. Die laetste maken
den magtigsten en meest verspreiden stam dier streken
uit. Men treft hen aen op de grenspalen van den Nede^^
Canada en tot in de Rotsbergen. Dit volk is ook het meest
aen de Médecine (huicherary) overgegeven: allen willen
guichelaers en kwakzalvers zyn en verkoopen hunne geneesmiddelen en guichelaryen zeer duer.... Door een gevolg van die aengékleefdheid aen hunne aloude bygeloovige
gebruiken en van de merkelyke winst, welke zy eruit
trekken, heeft het \yoord Gods op hunne versteende zielen geenen indruk gemaekt. Een bedrieger, een looze en
zeer doortrapte man in de Médecine (guichelary) die gf^ ISÏPSS!K5SSBK!SHSPP
VAN  DEN  OREGON. 131
doopd was, heeft niet weinig bygedragen om zynen stam
te houden in eene versteende onwetendheid, oSe denzelven den vooïiteur doet geven 'aen de duisternissen van
het heidendom boven het weldoende licht van het Evangelie. Na eene slaepziekte, tydens welke men hem dood 11
geloofd had, vergaderde hy zynen stam en zeide: «De-*
I wyl ik gedoopt was, begaf ik my onmiddelyk na de
I dood naer den hemel der blanken3.©! cferistenen, waer
* de Groote Geest en Jesus-Christuswoonen; maer zy wei-
» gerden my er te ontvangen om myn rood vel; van
I daer begaf ik my naer het land van de zieren myirer
» Voorouders, die my ook den ingang om myn doopsel
» verboden: ik ben dus op de aerde wedergekeerd, om
I myne beloften des Doopsels te verbreken en mynen
» medecy nzak tfehernemen. Ik hoop mynen eersten misslag
I uit te wisschen door myne opregte aengekleefÜheid
» aen de guichelary, en my daerdoor op nieuw weerdig
| te maken van de schoone en uitgestrekte vlakten van
» dat betóorlyke en aengename verblyf, waer eene eeu-
i wige lente heerscht, waer ontelbare troepen van die-
» ren eenen overvlctedigen en duerzaÉién onderhoud aen
» al de bewooners van den IndiaensMien hemel ver-
» schaffen. » Die tyding, die z4bh door geheel den stam
en de naburige volken verspreid heeft, heeft veel bygedragen om hen aen hunne aloude gebruiken en bygeloo-
vighedentörhechten. Sedert dien tyd toonen zy zich byna
doof voor de onderwyzingëh van hunnen weerdigen
missionnaris.
Het is nogtans M. Belcourt gelukt er eé% goed getal
van te beke#en, welke hy aen de bygeloovigheden, die
onder hen zoo gemeen zyn, heeft doen verzaken; hy
heeft hen als in een dorp te S* Paul-des-Sauteux veree-
nigd, waer zy met vurigheid in al de oefeningen van den
Godsdienst volherden. Het getal der gelocvigen wordt
er jaerlyks grooter.
Hl üS
f PIS
MISSIEN
Eindelyk den 25 October kwamen er dertien Pieds-
Noirs aen de schans. Zy groetten my inderdaed met eene
op zy® Pied-Noirsche beleefdheid, die tevens iets woest
en aengenaem had. De oude overste zelf omhelsde my
teederlyk, wanneer hy hei oogmerk myner reis vernam,
^yn optooisel onderscheidde zich van dat zyner medegezellen; hy was met arendspluimen versierd, van het
hoofd tot aen de voeten en droeg op zyne borst eene
groote schotel met blaeuwe bloemen als een onderschei-
dingsteeken en op de wyze eener medaillie. Hy was in
vriendelykheden opzigtens my uitgestort: zoo menigwerf
ik hen in hunne vertrekplaets bezocht, deed hy my
nevens zich neerzitten, drukte my hertelyk de hand en
wreef vriend elyk myne twee wangen met zynen roodge-
maekten neus; hy noodigde my openhertig om zyn land
te komen bezoeken en bood zich zelven aen om my tot
gids te dienen en by zyn volk te brengen.
Het onderscheid, dat er bestaet tusschen de gelaets-
trekken van de wilden der vlakten ten oosten der Bergen
en die der Indianen by de opperwateren der Colombia,
is zoo groot als de Rotsbergen, die van elkander scheiden.
De zachtmoedigheid, de vrolykheid, de gespraekzaemheid
kenmerken de laetste; terwyl de wreedheid, de bedrie-
gery en het woord bloed in al de gelaetstrekken van den
Pied-Noir onderscheiden worden; naeuwelyks zou men
eene onnoozele hand in geheel den stam vinden. De Heer
is nogtans almogend: « hy kan van steehen kinderen van
Abraham doen opreizen § en vol van betrouwen in de
schatten zyner heilige genade en bermhertigheden, ben
ik  voornemens hen  te   bezoeken.  Het  noodzakelykste
en myne grootste bekommernis is, van eenen  goeden
taelman te vinden. De eenige, die in dit oogenblik in de
schans gevonden wordt, is een verdachte en gevaerlyke
man;   al het voorgaende getuigt tegen hem; hy doet
nogtans  schoone beloften. Liever zou  ik zvnen dienst
m VAN  DEN  OREGON. 133
acnnemen dan van myn oogmerk afzien. De hemel geve
dat hy zyn woord houde.
Het jaer 1845 zal in de treurige jaerboeken der Pieds-
Noirs een tydstip uitmaken. Het is waerlyk een jaer van
onheil, zy hebben een-en-twintig krygslieden in twee
gevechten met de Têtes-Plates en de Kalispels verloren.
De Cries hebben hen een groot getal peerden ontroofd
en zeven-en-twintig haerpelsen ontnomen. De Corbeaux
hebben hun eenen doodelyken slag toegebfragt, |öör
byna geheel de bende der Petile-Robe te vermoorde^
die uit vyftig hutten of huisgezinnen bestond/Honderd
zestig vrouwTen en kinderen zyn gevangen weggeleid.
Well ysselyk lot voor dié arme ongelukkigen! In de
eerste vervoeringen der gramschap is een groot getal der
gevangenen door de vrouwen van de Corbeaux geslagt-
offerdl Zy wreekten de dood van eenen man, van eenen
broeder, van eenén vader of van eenen zoon. De ongelukkigen, die zyn blyven leven, worden tot de slaverny
veroordeeld.
De scharlsie koorts deed zich in het legerveld der
ovei^vinnaers gevoelen: dezelve zette zich schielyk van
hut tot hut over. De Corbeaux geloofden zich door de
pokken aengerand. Dewyl de Pieds-Noirs eenige jarèl
te voren door dien geessel bezocht waren, ondervraegden
zy de gevangenen, om te weten, door welke middelen
zy aen de dood ontkomen waren? Een geest van wra&B
bevöng deze laetste, zy raedden de ktfüde badéii als het
eenigste geneesmiddel aen.... De zieken dompelden zich
terstond in het water en de moeders daelden in de rivier
om er hare kinderen te baden. De eenen vonden er hun
graf, anderen gaven hunnen laetsten zucht eenige oogenblikken daerna. De troostelooze moeders keerden met
doode of stervende kinderen in hare armen weder. Bet
gezucht en de tranen volgden de vreugdegezangen der
Corbeaux op. De dood bezocht al de hutten van het
overwinnende legerkamp.
■■.,,.„.       ....      -..,.—„m m TriirnimiTumni-r-i-MBi-iitiiiniiiiin u »i_n     11 -    n .r.
irrjc^lIHirBW1,~~—**^**" i    -^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^^_^w**»T"m      " " "x"" " '':^jjMémmlÊÊr>v-' "ffivff m :'a
134
MISSIEN
Htyv
De overleveringen opzigtens den oorsprong van den
mensch en een onsterfelyk leven zyn bewaerd gebleven
by het meestendeel der Indiaensche volksstammen, welk$
ik de gelegenheid ;gehad heb te bezoeken en hierover
te ondervragen. Men verneemt er verscheidene, volgens
het verschil der luchtstreken en voortbrengselen, waer-
mede de landen, welke de volksstammen doorloopen,
overdekt zyn. De volken die van de vi sch vaagst |even,
verzinnen zich eénen hemel van schoone en vischryke
meeren en rivieren, welker bekoorly$ke boorden en lag-
chende eilanden vruchten van alle soort voortbrengen.,^
\Ik ben gelegerd geweest op de boorden van twee meeren
ten oosten der Rotsbergen, vele dagreizen van elkander
gelegen, we$ke de Pieds-Noirs het meer der mannen en
dat der vrouwen noemen. Volgens hunne overleveringen
kwam uit het eerste meer eene troep schoone en Moeke
jongelingen, maer arm en naekt: uit het tweede een
even groot getal schrandere en werkzame jonge dochtfêïis,
die zich bekwame hutten en kleederen maekten.... Zy
leefden langen tyd afzonderlyk, zonder zelfs hun wecjter-
zydsch bestaen te kennen. De groote Manitou Wizdkeschak
of de Oude, die thans nog door de Pied$-Noirs aengeroe-
pen wordt, bezocht de mannen. Hy leerde hen de dieren
op de jagt dooden; maer dewyl zy de kunst niet kenden
van de huiden te bewerken, stelde Wizdkeschak zi$h aen
hun hoofd en bragt hen by de wooning der vrouwen....
De jongelingen werden er met vreugdekreeten, toejuichingen en dansen ontvangen. Schoenen, handschoenen, hemden en geborduerde kleederen werden Imn aengeboden.
Elke dochter koos haren gast en stelde hem eene schotel
vol graen en wortelen voor. In het verlangen van in het
onderhoud hunner weerdinnen te voorzien, gingen de mannen op de jagt en kwamen weder, beladen met dieren. De
dochters beminden het vieesch en bewonderden de sterkte,
de behendigheid en de dapperheid der jagers. De jonge-
-■  « I1I.W" l VAN   DEN   OREGON.
i   W ld*
100
lingcn namen ook hun vermaek in hunne schoone kleederen en bewonderden de nyverheid der dochters. Zy
geloofden zich noodzakelyk de eenen voor de anderen, en
Wizdkeschak, voorzitter by de plegtigheid, deed hun een
plegtig verdrag sluiten, waerdoor de man de beschermer
der vrouw werd en de verpligting ontving van voor den
onderhouuVdes huisgezins te zorgen, terwyl al de andere
zorgen en pligten der huishouding het deel der vrouw
werden.... De vrouwen Pieds-Noirs van onze dagen beklagen dikwyls en bitterlykover de vreemde overeenkomst
en dwaesheid van hare eerste moeders, en verklaren, indien het nog plaets moest hebben, dat zy hiermede op
eene andere wyze zouden te werk gaen.
De hemel, volgens het denkbeeld der Pieds-Noirs, is
eene streek van zandachtige hoogten, welke zy Espatchekié
noemen, waerheen de zielen zich begeven na de dood en
waer zy al de dieren, welke zy gedood, en al de peerden ,
welke zy gestolen hebben, zullen wedervinden. De buffels,
de dans, de herten, de rendieren, enz. enz. zyn er in
overvloed. Wanneer zy van eenen overledenen spreken,
in plaets van te zeggen: « Zulk een is dood, | zegt de Pied-
Noir: « Espatchekié étapo, hy is naer de zandachtige hoogten vertrokken. »
Ik ben, enz.
P. J. De Smet. S. J,
*'"" """"f"Trr*ni-n 'J*r~-xPi.irii 136
A.
MISSIEN
N° XII.
M.
D.
G.
Schans Auguste, op de Sascatshawin ,
51 December 1845. ɧÉ
Monseigneur ;
Ik was met de dertien Pieds-Noirs overeengekomen,
van welke ik u in mynen voorgaenden brief gesproken
heb, dat zy my in hunnen volksstam zouden voorgaen om
er de wegen en de geesten tot myne ontvangst te bereiden. —|,AUes scheen eenen gelukkigen uitslag te beloven. Ik nam myn afscheid van den beminnelyken Heer
Harriot en vertrok van de ^schans den 31 October met
mynen taehnan  en eenen jongen Metis van  den stam
der Cries, om myne peerden te bezorgen. Myn taelman
vertoefde niet ondanks zyne beloften,  zyne inborst te
ontdekken; hy begon braef met den kop te spelen; hemel
en aerde schenen hem tot last; by voorkeur legerde hy
op de plaetsen, waer de arme lastbeesten, na eene lange
dagreis geen voeder vonden. — Er was geen middel om
van hem een goed woord te krygen. — Naermate wy
de wildernis indrongen, werd zyn gelaet steürscher en
steurscher. — Zyne verkeerde woorden en zinspelingen
baerden my ten laetste ernstige bekommeringen. Ik had
reeds tien doodelyke dagreizen in zyn gevolg afgelegd.
Myne twee   voorgaende  nachten  waren   ongeruste  en
slaepelooze nachten geweest. Ik had het geluk van alsdan
eenen Canadiaen met zyn Indiaenseh huisgezin te ont-
i  inii„||.iitLnin»n« * ii.n»
*^*Sfc. VAN   DEN  OREGON.
0/
moeten. Ik haelde h#i over my gedurende eenige dagen
te volgen. 'Sanderendags verdween de taelman. Ondanks
mynen neteligen toestand in die gevaervolle wildernis,
zonder taelman en leidsman, verloste het vertrek van
dien steurschen dwarsdryver my van een zwaer pak.
Zonder de tydige ontmoeting van den Canadiaen, zou ik
er zoo goeden koop niet afgekomen zyn.... Vrienden en
reizigers, wacht u in de wildernis, van aen den willekeur
van eenen ontevredenen mensen overgelaten te zyn,
vooral, indien hy langen tyd onder de wilden gewoond
heeft. By de ondeugden der Blanken voegen de mannen
van dat slach de arglistigheid van den Indiaen.
Ik besloot myne reis voort te zetten om eenen Canadiaen-
schen taelman te zoeken, wien wy geloofden in de naby-
heid te zyn. Acht dagen daerna trokken wy in dien doolhofvan valleijen en doorliepen wy dezelve op alle wyzen;
maer het was vruchteloos: zelfs in het midden van hun
land vonden ww noch de Pieds-Noirs, noch den Canadiaen,
wien wy zochten.... De oorlogspartyen der Cries doorliepen op den zelfden tyd het land en al de Pieds-Noirs
hadden voor hen de vlugt genomen. Vier dagen hadden
wy aenhoudenden sneeuw. De doortogt van het oosten naer
het westen der Bergen was onbruikbaer geworden. Er
bleef my geenen anderen keus over dan my naer eene der
schansen der achtbare Handelmaetschappy van de Baei
d'Hudson te begeven en er de gastvryhcïB. gedurende het
slechjÉfjaergety te vragen.
Geheel het land, dat paelt aen de eerste bergketen ten
oosten der Rotsbergen in eene breedte van 30 tot 60
mylen, en dat aen dezelve tot grondzuil verstrekt, is op-
merkensweerdig om de rykheid van zynen grond^f-om
zyne bosschen, vlakten, meeren , fonteinen en minerale
bronnen. De rivieren en beeken zyn er ontelbaer en ver-
tooneiroveral de voordedigste liggingen om er molens te
bouwen.
'm
Pi ■»■ -"wn i i~""fi'kwb n^ii ti nnwiftl jjfi^niBlj^i'iinTrnyii *f'i^M_ ii >iw ^ ^itfiiw »jnï Jjükj^Jiu >%i ^m ^—TM*irii^M|i rijm -*TJfcjii
lüji-ni'i't*- 138
MISSIEN
■
De armen der Sascatshawin overdekken geheel de,*öp-
pervlakle van de streek, welke ik doorloopen heb, ongeveer dry honderd mylen. Bosschen van mast-, cypres-, populier-, abeel- en andere boomen beslaen er een zeer groot
deel van en bedekken de hellingen der bergachtige valleijen
en de boorden der rivieren. Deze hebben voor het mees-
tended hare bronnen in de hoogste bergketenen. Haer
bed is rotsachtig en haer loop zeer snel. Maer naermate
zy zich van de\bergen verwyderen, worden zy breeder en
verliezen hare onstuimigheid. De wateren zyftjer in 't algemeen zeer zuiver en klaer. Men treft er eenige personen
met krop gezwellen aen.
Dit land zou geschikt zyn om den onderhoud aen eene
groote bevolking te verschaffen; de gerst, het graen, de
aerdappelen, de erwten en de boonen groeijen er won-
derlyk wel. Zullen die overvloedige weilanden steeds
door het vuer verslonden worden of moet derzelver gras
altoos onder den sneeuw van den herfst verrotten? Zullen
die trotsche bosschen de schuilplaetsen der wilde beesten
blyven ? Zullen die onuitputbare steengroeven, die ryke
steenkool-, loot-, koper-, zwafel- en salpetermynen altyd
nutteloos zyn ? Wy denken bet niet: eene werkzame
hand zal zich eens al die rykdommen komen ten nutte
maken. Een kloek, werkzaem en volherdend volk is
bestemd om dit groote leedige der aerde te komen vervullen. De wilde dieren dier landstreken zullen eens
hunne plaetsen afstaen aen onze huisdieren, die de
weilanden, de vlakten en de vruchtbare valleijen van dat
onmeeüyk land zullen innemen.
Een groot ded van dit land is door kunstmeeren,
gemaekt door de castors, overdekt geweest. Op onze
onireizen beschouwen wy dagelyks met verwondering
en verbaesdheid de uitgestrektheid en de grootheid hunner kunstige dyken, hunner vaste en groote schuilplaetsen, overblyfsds van die wonderlyke kleine republieken,
**■« VAN  DEN OREGON.
139
van welke men my met regt zoo vele wonderen verhaeld
heeft. Voor eene halve eeuw was het getal der castors
in dit land zoo groot, dat het niet zeldzaem was voor
eenen goeden jager er vier honderd in den loop eener
maend te dooden.
Ik kwam aen de schans Auguste of Edmonton op het
einde des jaers. De achtbare commandant M. Rowand
ontving my met al de teederheid eens vaders en over-
laedde my met goedheden en bewyzen van achting, als
ook zyne achtingsweerdige kinderen. Nimmer zal ik my
voor zoo vele weldaden dankbaer genoeg kunnen toonen.
Dat de hemel hen bescherme en vergelden !
Ik verwacht een gunstiger oogepblik, om my onder
de Pieds-Noirs te begeven. Oorlogsbenden doorkruissen
geheel het land en al de tydij&gen, die er ons van toekomen , spreken slechts van strooperyen en moorderyen,
Ik ben enz.
P. J. De Smet. S. J.
w^-ttfcu *r* «wTTfcn mmv nniifi*M wiéu ^mMM
ii'   ii —-'^ m**nmttnm\mm S25355!!SÏ55!S5?5
140
MISSIEN
N°   XIII.
A. •
M.
D
G
Van de schans Jasper, April 1846.
i  :
Monseigneur;
De schans Edmonton of Au guste is de voornaemste inrigting der achtbare Handelmaetschappy van de Baei
d'Hudson, in den omtrek van de Opper-Sascatshawin en
de Opper-Athabasca; de schansen Jasper, Assiniboin, van
het Petit Lac des Esclaves, die der Montagnès, van Pitt,
Carrolton en Cumberland hangen er af. De achtbare M.
Rowand, gouverneur van dat groot regtgebied, paert al
de beminnelyke hoedanigheden van een' volmaekten edelman met die van eenen opregten vriend en eene onbe-
paelde gastvryheid. Zyne goedheid en vaderlyke teederheid
maken er eenen waren patriarch van te midden van zyn
bevallig en talryk huisgezin; alhoewel reeds ver in jaren
gevorderd, is hy nog buitengewoon werkzaem; de stammen, die hem omringen, beminnen en achten hem. Het
getal der bedienden van Edmonton, de vrouwen en kinderen hieronder begrepen, is ongeveer tachtig personen.
Alles wordt er in eene wonderlyke orde verrigt. Zonder te
spreken van eenen grooten hof, van een aerdappelen- en
graenveld, die aen de inrigting vast zyn, verschaffen de
meeren, de bosschen en vlakten der nabyheid hun voor-
raed in overvloed. By myne aenkomst aen de schans waren
er binnen de vestingswal dertig duizend witvisschen, elk
ongeveer van vier ponden, en vyf honderd buffels: het is
- VAN   DEN   OREGON.
141
het getak, dat er eiken winter inkomt. Zoo groot is het
getal der watervogels van da&land, dat de jagers in deii
zomer dikwyls naer de schans wederkeeren, met hunne
wagentjes, vol van vogelen en duizende van eijeren,
welke zy slechts in het hooi, in het riet der moerassen éö
op de boorden der meeren moeten inzamelen.
^Jpewyl het meestendeel der jagers van de schans Catho*
lySen waren, vond ik waermede myne bediening uit. te
oefeneniéAIle morgens legde ik de christelyke leering aen
de kinderen uit; alle avonden na den arbeid, hield ik
eene onderwyzing en deed het gebed voor het huisgezin
van den achtbaren commandant en de gehuerde jagerÉ
Ik moet tot eer van al de bewooners van Edmonton zeggen,
dat hunne neerstigheid en yver om de godsdienstige
pligten te vervullen, hunne goedheid, de eerbied, welken
zy voor myn priesterschap betoonen, allifelofweerdig zyn:
de twee maenden, welke ik in hun midden overgebragt
heb, zyn voor my de bron van overvloedige vertrooslbgen
geweest. Moge de hemel, die hun zoo mildadig den daeuw
der aerde schenkt, hun mildadig dien des hemels vergunnen ! Deze is de opregtste wensch van eenen vriend en
armen missionnaris, die hen nimmer zal vergeten.
Ik heb het meer Ste Anne, gewoone verblyfplaets der heeren Thibault en Bourassa, bezocht^Derzelver afstand van
de schans is ongeveer van vyftig engelsche mylenê Ik heb
u gesproken van die belangryke Missie in myne voorgaende
brieven; laet ons nu een woord over het land zeggen.,..
De oppervlakte van die landstreek is in! 't algemeen effen
en op eenige plaetsen een weinig gegolfd; zy is doorzaeid
met bosschen, weilanden en meeren, waerin de visch
krielt. In het meer van Ste Anne alleen heeft men den;#oor-
gaenden herfst meer dan zeventig duizend witvisschen
die het beste in hunne soort zyn, gevangen; men vangt
ze met de lyn in al de jaergetyden.,.. Ondankslde guerheid
en de langdurigheid des wifïters in die noordelyke land- 142
MISSIEN
streek,komt de grond my in 't algemeen vruchtbaer voor:
de opgroeijing is er in de lente en dew zomer zoo sterk en
schielyk, dat er de tarwe en de gerst, de aerdappelen en
al de groenten van den Canada goed gelukken en ryp
worden. De   wfntertarwe zou er, volgens myn oordeel,
meer opbrengen dan de zomertarwe, wrelke men eïWtot
nu toe gezaeid heeft. Het meer Ste Anne maekt deel van
eéne keten van meeren, die zich in de Üascatshawin ontlasten door de kleine rivier Esturgeons. EeVtyds waren er
ontelbare repuWieken van castors: elke meer, elk moeras,
elke rivier en hare waterloopen dragen nog hedendaegs
de sporen van hunnen arbeid.... Wanneer het rendier,
de buffel en de eland in dat deel, waervan ik u spreek,
in overvloed gevonden werden, waren de Cries er de
vreedzame bezitters van. De dieren zyn verdwenen en met
dezelve al de oude bewoners des lands: naeuwelyks vindt
men er in onze dagen eenige eenzame hutten, en nu en
daShet spoor van eeif%root dier... ZeveÜtien huisgezinnen, die van Canadianen en wilden afstammen, hebben
^eh vereenigd en nab^hunnen Missionnaris gevestigd....
De Cries zyn naer de vlakten der buffels vertrokken en
betwisten dezelve nu aen de Pieds-Noirs, van welke zy
de doodvyanden geworden zyn.
Naermate het schoone weer zich nu en dan tusschen de
guerheden van den winter begon te vertoonen klopiifïèyn
hert meer en meer en scheen my naer de bergenfvoort te
stuwen om er het eerste gunstig oogenblik af te %achten
om dezelve over te trekken en my daerna, zoo spoedig
mogelyk, naer de Mtesie van S1 lgnace te begevend
Den 12 Maert nam ik myn afscheid van het achtbare
huisgezin Rowand en van al de bedienden der schans. Ik
werd vergezeld van dr^ brave Metis, welke M. Thibault
de goedflieid had gehad myte bezorgen.... In datjaergety
Is geheel dat land onder den sneeuw begraven, men refst
er in sleêen, getrokken door honden. TWee sleêen werden VAN DEN  OREGON.
143
beladen met onze levensmiddelen en reisgoed, de derde
werd voor my bewaerdf zy werd door vier honden getrokken.... Die wyze van reizen was voor my geheel
nieuw; op de rivieren vooral is^uezelve zeer aengenaem
en gemakkelyk.... Den derden dag legerden wj&by het
meer véli den Aigle-Nouhe, dat overvloeit in Hèutlebis,
eene soort van witvisch, maer die veel slechteK^r'dan de
ware.... Den zesdenFdag bevonden wy onsby de schans
Assiniboin, gebouwd in eene schoone weide, op den boorfï
mv rivier AtMbasca, die hier eene brledte van twee
hoiderd dry-en-dertig vademen heeft, breedte, welke zy
schynt te behouden, tot dafzy uit de groote bergen§omt.
Haer loop is zeer snel; in de lente vaert men in dry
dagen van de schans Jasper tot aen de schans Assiniboin,
lenen afstand van dry honderd mylen. Met onze sleêen
gebruikten wy negen da|en om dien overtogt te doen....
Het bed der rivier is met eilanden bezaeid tot aerif de
bergen; door hunne verschillende liggingen en verscheidene gezigten, maken Wf er het gezift1 zeer' iengenaem
van: de twee boorden zyn bedélt met dikke boséefien van
doornenstruiken, in welker midden rotsen^en hooge
heuvelen zich van tyd tot tyd vertooneit, die op eene bevallige wyze de algemeene eentoonigheid der wildernis
onderbreken.... De voornaemste dier waterloopen , welke
ik gezien heb, zyn: de Pembina, die vier honderd vier-en-
zlstig voeten breed is; de rivi